Conclusie
eerste middelhoudt in dat het arrest voor wat betreftonder 2 bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben’ en het ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans dat de bewezenverklaring in zoverre onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Ten aanzien van feit 2
tweede middelhoudt in dat het oordeel van het Hof dat de in de passagiersruimte van de auto aangetroffen goederen niet van door verdachte zelf gepleegd misdrijf afkomstig zijn niet begrijpelijk is.
zelfheeft gestolen”. Dat roept de vraag op of de toepassing van bedoelde kwalificatieuitsluitingsgrond beperkt is tot die gevallen waarin de verdachte het misdrijf waarvan de witgewassen goederen afkomstig zijn heeft gepleegd en dus niet van toepassing is in die gevallen waarin verdachte het misdrijf heeft medegepleegd, heeft uitgelokt, of daaraan medeplichtig is geweest. Die vraag zou ik ontkennend willen beantwoorden. De ratio van de kwalificatieuitsluitingsgrond is immers dat deze voorkomt dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft en/of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Voorts bevordert deze kwalificatieuitsluitingsgrond dat het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Een en ander geldt niet alleen voor de pleger van het grondmisdrijf, maar ook voor de in art. 47 Sr Pro als pleger aangemerkte medepleger, doen pleger en uitlokker, alsmede voor de medeplichtige.