ECLI:NL:HR:2011:BT6444
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij ontbreken bepaaldelijke volmacht advocaat
In deze jeugdzaak diende verdachte een cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De advocaat van verdachte had een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker gegeven om het cassatieberoep in te stellen. De Advocaat-Generaal stelde dat de raadsheer van de Hoge Raad de advocaat de gelegenheid kon bieden om te verklaren dat hij bepaaldelijk was gemachtigd tot het instellen van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van de schriftelijke volmacht. Uit jurisprudentie volgt dat een volmacht aan een griffiemedewerker moet bevatten dat de advocaat bepaaldelijk door de verdachte is gemachtigd om het cassatieberoep in te stellen. In dit geval ontbrak een dergelijke verklaring in de volmachtbrief van de advocaat.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat niet was voldaan aan de vereiste voorwaarde voor ontvankelijkheid. De verdachte kon dan ook niet in het cassatieberoep worden ontvangen. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het arrest uit op 1 november 2011.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens ontbreken van een bepaaldelijke volmacht aan de griffiemedewerker.