Conclusie
Nummer21/01190
Inleiding
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en “
opzettelijk bij geschrift zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd”, veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf met aftrek. Bovendien heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van het verzorgen van belastingaangiften voor derden voor de duur van vijf jaren en de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag.
Het eerste middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
hij in de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 december 2015 in Nederland, (telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over de jaren 2010 tot en met 2014, – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk op de aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van:
Standpunt van het openbaar ministerie
6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit hof van 8 september 2020, voor zover van belang als verklaring van de getuige inhoudende:
De klachten van het eerste middel
geheel naar eigen inzicht” heeft gehandeld, maar in overleg met de Belastingdienst, dat hij zich kon beroepen op een zogeheten ‘pleitbaar standpunt’ en dat hij niet het oogmerk had om de fiscus te misleiden.
De beoordeling van het eerste middel
geheel naar eigen inzicht”.
niet– naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van belastingregelgeving en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.
Het tweede middel
De strafmotivering
“Oordeel van het hof
”
De in de toelichting op het tweede middel voorgelegde klachten
voldoende representatief” zijn voor het aannemen van een grootschalige fraude in belastingaangiften voor “
tal van belastingplichtigen”, en (ii) dat het grootschalige karakter van de fraude in onderhavige zaak een omstandigheid oplevert die in aanmerking kan worden genomen bij de straftoemeting als relevante omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde is gepleegd. Door het grootschalige karakter van de fraude in sterke mate te laten meewegen in de straftoemeting, is aan de verdachte – in strijd met de grondslagleer – een straf opgelegd die ver verwijderd is komen te staan van hetgeen hem is ten laste gelegd en bewezen verklaard, aldus luidt klacht (iii). Bovendien (iv) is tekortgedaan aan de verdedigingsrechten van de verdachte. Voor wat betreft een omstandigheid die de rechter kan betrekken bij de straftoemeting gelden de bewijsregels en verdedigingsrechten niet, dan wel in sterk verminderde mate. Dan kan worden volstaan met de enkele constatering dat die omstandigheid voor de rechter ter terechtzitting aannemelijk is geworden. Dat betreft een beoordeling die met minder waarborgen is omgeven.
Van Thuil/Nederland), betrof een vervolging voor onder meer deelneming aan een criminele organisatie. Het gerechtshof hield er bij de strafoplegging rekening mee dat de betrokkene in die criminele organisatie een leidinggevende rol had vervuld, hoewel het hof het OM niet-ontvankelijk [11] had verklaard voor wat betreft de in de tenlastelegging vermelde strafverzwarende omstandigheid van (destijds) lid 3 van artikel 140 Sr Pro voor (toen nog alleen) oprichters en bestuurders. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip ‘bestuurder’ in dit verband niet zonder meer gelijkstond aan ‘leiding geven’, zodat het hof geen rechtsregel schond door die leidinggevende rol in de strafmaat te betrekken. In Straatsburg werd geklaagd dat de Nederlandse rechter bij de strafoplegging rekening had gehouden met een delict (leiding geven) dat geen onderdeel meer was van de aanklacht. Het is moeilijk om algemene conclusies te verbinden aan de beslissing van het EHRM om deze klacht kennelijk ongegrond te verklaren, maar in z’n algemeenheid kan hieraan wel worden ontleend dat het EHRM er geen probleem mee heeft wanneer de nationale rechter in strafverzwarende zin rekening houdt met omstandigheden waaronder het ten laste gelegde delict is begaan.
dat niets zich ertegen verzet dat ingeval het gaat om een groot aantal afbeeldingen de steller van de tenlastelegging zich beperkt tot een selectie van (representatieve) afbeeldingen. Bewezenverklaring daarvan kan dan immers worden gekwalificeerd als 'meermalen gepleegd', terwijl het mogelijk voor de straftoemeting relevante grootschalige karakter van het delict ook op andere manieren aannemelijk kan worden gemaakt dan door middel van het opnemen van al die afbeeldingen in de tenlastelegging en bewezenverklaring, bijvoorbeeld doordat dat grootschalige karakter op de terechtzitting aan de orde wordt gesteld.” [12]
kunnenechter (aanzienlijk) van elkaar verschillen. Dat geldt onder omstandigheden ook voor de identiteit van het slachtoffer. Ik noem delicten die onderdeel zijn van een betrekkelijk goed af te bakenen reeks van zelfstandige, soortgelijke delicten die zijn begaan door dezelfde dader (of daders): seriedelicten. Hierbij zou in zeldzame gevallen kunnen worden gedacht aan de activiteiten van een seriemoordenaar, maar de rechtspraktijk wordt vaker geconfronteerd met bijvoorbeeld langdurig seksueel misbruik van steeds hetzelfde (minderjarige) slachtoffer, een reeks van woninginbraken door één dader(groep), maar ook met langdurige, grootschalige fraude en vele gevallen van oplichting of valsheid in geschrift.
2.3.2. In zaken als de onderhavige, waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude, kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden.” [13]
als zodanigin de straftoemeting kan worden betrokken. Het gaat de Hoge Raad dus niet om die afzonderlijke, niet ten laste gelegde seriedelicten, maar om de omstandigheid dat het wél ten laste gelegde delict
pastin een (lange) reeks delicten. Het repeterende, ‘routinematige’ karakter is daarmee een kenmerk van elk seriedelict dat deel uitmaakt van de reeks, althans zo begrijp ik deze vooropstelling van de Hoge Raad.
3.2. Een en ander in aanmerking genomen, heeft het hof de 23 aangiften waarop de bewezenverklaring geen betrekking had, kennelijk beschouwd als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan. Dat oordeel getuigt in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen niet van een onjuiste rechtsopvatting.”
ten laste gelegdedelict begrepen. De vraag is dan of een beletsel voor de vervolging van
nietten laste gelegde seriedelicten waarmee de rechter bij de strafoplegging uitdrukkelijk rekening heeft gehouden, kan worden gegrond op de beginselen van een goede procesorde.
dat met het betrekken van deze 32 belastingaangiften in de strafmaat ervan mag worden uitgegaan dat geen vervolging meer zal plaatsvinden ten aanzien van de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften en voorts dat het niet aannemelijk is (geworden) dat de verdachte op deze wijze in zijn verdediging wordt geschaad”. Of het een en ander de doorslag gaf voor de verwerping van het cassatieberoep in die zaak, liet de Hoge Raad echter in het midden. In andere uitspraken bleef deze kwestie zelfs onbesproken. [15] Daarmee blijft de vraag open of de niet ten laste gelegde seriedelicten definitief worden afgedaan wanneer de rechter daarmee bij de straftoemeting op een of andere wijze in strafverzwarende zin rekening houdt. Een tussenweg is er niet; een ‘beetje’ afdoen bestaat niet.
Van Thuil/Nederland), al ter sprake. In dit verband wijs ik op een meer algemene overweging in dat arrest over het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie (de voetnoten zijn van mijn hand):
The Court recalls that, according to its established case-law, the general aim of the presumption of innocence is to protect the accused against any judicial decision or other statements by State officials amounting to an assessment of the applicant's guilt without him having previously been proved guilty according to law (…). [16]
Once an accused has properly been proved guilty of a particular criminal offence”) markeert niet alleen het einde van de waarborg die de onschuldpresumptie de beklaagde biedt, het is tevens een
voorwaardevoor beëindiging ervan. Maar vaststelling van schuld aan welk delict wordt hier nu precies bedoeld? Het is wel duidelijk dat de voorwaarde van vaststelling van schuld ‘
according to law’ in de eerste plaats betrekking heeft op het delict dat is opgenomen in de formele aanklacht (
the criminal charge), in Nederland: de tenlastelegging. Maar staat het de rechter daarna vrij om bij de straftoemeting voor het bewezen verklaarde (
the sentencing process) met de schuld van de verdachte aan allerlei andere dan de ten laste gelegde delicten rekening te houden? Of bestrijkt de beschermende werking van de onschuldpresumptie na de vaststelling van schuld aan het ten laste gelegde onverminderd de bejegening van de beklaagde ten aanzien van concrete delicten die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen? Kunnen uitlatingen van de rechter over de schuld van de beklaagde aan concrete, andere dan ten laste gelegde delicten een ‘nieuwe aanklacht’ (
new charge) meebrengen, weliswaar niet in de betekenis van een formele tenlastelegging maar wel in de ruimere, autonome betekenis die het EVRM aan het begrip ‘
charge’ toekent? En klemt dat niet te meer wanneer de rechter zich niet alleen uitlaat over de schuld van de beklaagde aan een concreet delict waarop de tenlastelegging geen betrekking heeft, maar de rechter voor dat delict tevens straf oplegt? [22]
Hajnal/Servië). Het ging hierbij om een vervolging voor elf woninginbraken. Tegelijkertijd waren tegen dezelfde verdachte bij verschillende rechters zes strafzaken ter zake van soortgelijke delicten aanhangig. Bij de strafoplegging voor die elf woninginbraken hield de Servische rechter in strafverzwarende zin rekening met de samenlopende procedures. Het EHRM overwoog eerst over het recht:
129. The Court reiterates that the presumption of innocence under Article 6 § 2 will be violated if a judicial decision or, indeed, a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before his guilt has been proved according to law. It suffices, in the absence of a formal finding, that there is some reasoning suggesting that the court or the official in question regards the accused as guilty, while a premature expression of such an opinion by the tribunal itself will inevitably run foul of the said presumption (…). Article 6 § 2 governs criminal proceedings in their entirety, “irrespective of the outcome of the prosecution” (…).”
chargeuitgebracht. De vraag is dan of dat de doorslag geeft. [24]
Bikas/Duitsland), werd de beklaagde vervolgd voor meer dan driehonderd zedendelicten (seksueel misbruik), in een bepaalde periode begaan jegens hetzelfde, minder begaafde, autistische slachtoffer. Nadat de Duitse rechtbank ter zake van deze delicten maar liefst zeventien zittingsdagen had besteed aan feitenonderzoek, maakte de Duitse rechter gebruik van een mogelijkheid die het Duitse strafprocesrecht kent (§ 154 (2) StPO), namelijk door de strafvervolging te beperken tot vier van die meer dan driehonderd delicten, en dit vanwege de straf die reeds voor de vier resterende delicten mocht worden verwacht. Bij deze sepotbeslissing werd de beklaagde meegedeeld dat de rechter in geval van een veroordeling voor de vier resterende delicten bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening kan houden met de geseponeerde delicten. Op dezelfde dag veroordeelde de rechter de beklaagde voor de vier resterende delicten, en stelde bovendien vast dat de beklaagde zich jegens het slachtoffer in nog minstens vijftig van die meer dan driehonderd gevallen waarvoor hij aanvankelijk werd vervolgd, schuldig had gemaakt aan seksueel misbruik. Het was voor de rechtbank niet mogelijk om die vijftig geseponeerde delicten te betrekken in de veroordeling, omdat het slachtoffer een spraakstoornis had, als gevolg waarvan de rechtbank niet in staat was om de exacte tijd en plaats van die minstens vijftig zedendelicten te bepalen. Niettemin liet de rechtbank onomwonden weten dat (en waarom) zij ervan overtuigd was dat de beklaagde, naast de vier delicten waarvoor hij werd veroordeeld, de minstens vijftig andere delicten had begaan.
charge) ter zake van de vijftig andere delicten niet eindigde op het moment van de sepotbeslissing, aangezien de rechtbank bij de strafoplegging met deze delicten rekening kon houden en dat ook daadwerkelijk deed. Artikel 6 lid 2 EVRM Pro is dus hierop ook van toepassing, aldus oordeelde het EHRM.
chargeen het sepot ervan vond pas plaats nadat die
chargehad geleid tot een rechterlijk proces waarin alle verdedigingsrechten van de beklaagde in acht waren genomen (dus ook ter zake van die vijftig andere delicten).
an issue under the Convention’ zou opkomen indien de beklaagde alsnog (op de voet van (§ 154 (4) StPO) zou worden vervolgd en veroordeeld voor de delicten die door de Duitse rechter bij de strafoplegging reeds in aanmerking waren genomen.
according to law’ bewezen is verklaard. Strafoplegging wordt op zichzelf niet bestreken door de presumptie van onschuld. In die fase moet immers worden aangenomen dat de onschuldpresumptie is weerlegd omdat de schuld van de beklaagde aan het ten laste gelegde in een behoorlijke procedure, op goede bewijsgronden en buiten gerede twijfel is komen vast te staan. Artikel 6 lid 2 EVRM Pro ziet dus niet toe op het geval waarin de rechter zich bij de strafoplegging in strafverzwarende zin uitlaat over het karakter en het gedrag van de beklaagde. Toepasselijkheid van artikel 6 lid 2 EVRM Pro is echter ook in de fase van strafoplegging niet uitgesloten, namelijk in gevallen waarin beschuldigingen jegens de beklaagde “
are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new charge within the autonomous meaning of the Convention”. Onder omstandigheden is artikel 6 lid 2 EVRM Pro dus wél van toepassing op die beschuldigingen.
charge) zijn opgenomen en waarvoor de beklaagde nog niet eerder ‘
according to law’ door een rechter schuldig is bevonden. Het sterkste geval doet zich voor wanneer de rechter bij het bepalen van de strafmaat voor de bewezen verklaarde delicten alle concrete, niet ten laste gelegde delicten op voet van gelijkheid met de bewezen verklaarde delicten (dus voor ‘vol’) meetelt, zoals de hoven in de casus van HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, en HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:260.
Bikas/Duitsland), in § 59 overweegt dat “
the standard of proof necessary for finding a person guilty of an offence is for the national authorities to determine.” Inderdaad ligt het ontwerp van het bewijsrecht binnen het domein van de lidstaten bij het EVRM. Het is niet aan het EHRM om over de inhoud daarvan uitspraken te doen, zolang dat nationale recht verenigbaar is met (in dit geval) artikel 6 lid 2 EVRM Pro. Het EHRM doelde in de aangehaalde overweging mijns inziens dan ook niet op de
hoogtevan de door de Duitse rechter toegepaste bewijsdrempel, maar op het oordeel van de Duitse rechter dat hij niet in staat was de verdachte te veroordelen voor de vijftig geseponeerde delicten op de grond dat de precieze tijd en plaats ervan niet konden worden vastgesteld, maar dat hij die vijftig delicten – ondanks dat manco – wel bij de straftoemeting in aanmerking kon nemen. Dát bewijsoordeel laat het EHRM aan de Duitse rechter. Het EHRM constateerde evenwel tevens dat de Duitse rechter meermalen tot uitdrukking heeft gebracht ‘overtuigd’ te zijn van de schuld van de verdachte aan de vijftig niet ten laste gelegde delicten en dat de Duitse rechter zodoende een afwijkende, maar toch hoge bewijsdrempel hanteerde. Dat volstond.
datde schuld van de verdachte in een gerechtelijke procedure buiten gerede twijfel moet komen vast te staan, niet op welke wijze die schuld moet worden bewezen.
aannemelijk” is geworden. ‘Aannemelijk’ betreft een diffuus begrip dat in het algemene taalgebruik vrijwel alleen gangbaar is onder juristen, zonder dat duidelijk is wat zij daaronder precies verstaan. Zo is thans onduidelijk of dat begrip in deze context gelijkstaat aan de bewijsstandaard van ‘buiten gerede twijfel’. Dat is vanuit het perspectief van artikel 6 lid 2 EVRM Pro problematisch indien de rechter bij de straftoemeting in strafverzwarende zin rekening houdt met specifieke, zelfstandige seriedelicten waarop de tenlastelegging geen betrekking heeft en waarvoor de rechter de verdachte niettemin uitdrukkelijk verantwoordelijk houdt. Indien de Hoge Raad slechts zou eisen dat de schuld van de verdachte aan die concrete delicten ‘aannemelijk’ is geworden, blijft de vraag open of die schuldvaststelling verenigbaar is met de bewijsstandaard die in de onschuldpresumptie besloten ligt. Dat de verdachte de seriedelicten ontkent, en daarmee het grootschalige karakter van het ten laste gelegde betwist, hoeft de rechter er naar het oordeel van de Hoge Raad in elk geval niet van te weerhouden dat grootschalige karakter in de straftoemeting te betrekken. Voor zover de rechter daarbij melding maakt van concrete (serie)delicten staat dat vanwege de onduidelijkheid over de betekenis van het begrip ‘aannemelijk’ op gespannen voet met de onschuldpresumptie. [26]
oneerlijk proces. Uiteraard is het dus ter waarborging van de onschuldpresumptie noodzakelijk dat de (eventuele) schuld van de verdachte wordt vastgesteld in een proces waarin de verdachte zichzelf naar behoren heeft kunnen verdedigen. [27] Zodra artikel 6 lid 2 EVRM Pro toepasselijk is op een bepaald aspect van de rechterlijke procedure, zijn artikel 6 lid 1 en Pro lid 3 EVRM dat eveneens. In EHRM 25 januari 2018, nr. 76607/13 (
Bikas/Duitsland), constateerde het EHRM uitdrukkelijk dat – ook voor wat betreft de vijftig geseponeerde zedendelicten – alle verdedigingsrechten in acht waren genomen. Dit droeg bij aan het oordeel dat artikel 6 lid 2 EVRM Pro in die zaak niet was geschonden.
criminal chargein de autonome betekenis van artikel 6 EVRM Pro. Daarmee activeert de rechter – wat betreft die concrete delicten – de toepasselijkheid van artikel 6 lid 2 EVRM Pro en over die band tevens de waarborgen van artikel 6 lid 1 en Pro lid 3 EVRM. Dit brengt mee dat de onschuldpresumptie toeziet op de deugdelijkheid van de procedure waarin de rechter komt tot een vaststelling van schuld aan die delicten. Daarin moeten alle verdedigingsrechten in acht worden genomen.
De beoordeling van het middel
de vijf in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen voldoende representatief [zijn] voor het merendeel van de uit de blauwdruk naar voren komende afwijkende aangiften.” Daartoe werpt de steller van het middel op dat er een groot verschil is tussen enerzijds het aantal van vijf belastingplichtigen en anderzijds het “
tal van” belastingplichtigen, waarvan het hof de precieze hoeveelheid bovendien in het midden heeft gelaten. Ook de wijze waarop de vijf belastingplichtigen zijn geselecteerd is onduidelijk, zodat het een geval van
cherrypickingkan betreffen. Ten slotte heeft de verdachte ten behoeve van enkele andere van zijn cliënten bij de belastingrechter bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd, waarvan verscheidene succesvol waren.
nietdoen steunen op het argument dat op aselecte wijze uit de clientèle van de verdachte een steekproef van voldoende omvang is getrokken. Het hof heeft zich daarentegen gebaseerd op kenmerken (wat betreft leeftijd, zorgbehoefte, levensinvulling, en hun beperkte kennis van het belastingrecht) van de vijf genoemde belastingplichtigen die sterk overeenkomen met die van het merendeel van de (andere) cliënten van de verdachte. De verdachte heeft daarover zelf verklaard dat “
deze vijf klanten doorsnee klanten betroffen. Vaak oudere klanten voor wie hij al lange tijd aangiften indiende en die meer dan gemiddeld met fysieke problemen kampten.”
De kostenposten die als aftrekbaar zijn aangemerkt, de specifieke steeds terugkerende bedragen die zijn opgevoerd, tonen een stelselmatige en systematische handelwijze bij het invullen van de aangiften.”
risico’svoor de uitoefening van verdedigingsrechten die zijn verbonden aan de hier besproken tenlasteleggingsstrategie. Die zie ik ook. In de toelichting op het middel wordt echter niet aangevoerd dat die risico’s zich in deze zaak hebben verwezenlijkt.
Aan de verdachte is – in strijd met de grondslagleer – een straf opgelegd die ver verwijderd is komen te staan van hetgeen hem is ten laste gelegd en bewezen verklaard