Conclusie
“medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.
Ambtshalvemerk ik het volgende op betreffende verjaring in deze zaak.
door een daad van vervolging geeft het openbaar ministerie te kennen dat het de strafvervolging wil voortzetten en nog een gerechtvaardigde behoefte aan toepassing van het strafrecht en mogelijkheden tot waarheidsvinding aanwezig acht”. [11] In het hiervoor door de wetgever genoemde “te kennen geven” ligt naar mijn inzicht tot op zekere hoogte een eis van openbaarheid besloten. Een daad van vervolging moet met andere woorden in zichzelf een ‘action publique’ [12] vormen en een openbaar karakter hebben, ook na het verval van de eis van art. 72, eerste lid, Sr dat de daad van vervolging de verdachte bekend of betekend is. Het enkele voornemen om de strafvervolging voort te zetten is daarvoor ontoereikend. De vervolgende instantie moet dit voornemen hebben omgezet in daden. Die daden dienen zodanig te zijn dat zij zich lenen voor bekendmaking of betekening, ook al wordt die bekendmaking of betekening niet meer verlangd willen zij een stuiting van de verjaring (kunnen) bewerkstelligen. Een enigszins vergelijkbare opvatting lijkt mijn ambtgenoot Knigge voor te staan, waar hij in zijn conclusie van 29 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2005 in noot 4 betoogt: “
Tot 1 januari 2006 stelde art. 72 Sr Pro de eis dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend is. Die eis zegt denk ik iets over het karakter van een daad van vervolging: het gaat om daden die de positie van de verdachte in het strafproces direct raken en waarvan hij dan ook niet onkundig kan of mag worden gehouden. Na 1 januari 2006 kent art. 72 Sr Pro dit vereiste niet meer. Dat heeft in het begrip ‘daad van vervolging’ echter geen verandering gebracht.” [13]
een mededeling als bedoeld in art. 366 Sv Pro” in aanmerking. Uit het arrest (en evenmin uit de daarbij genomen conclusie waarin een andere daad van vervolging werd betrokken bij de vraag of sprake was van verjaring) blijkt niet of deze mededeling was uitgereikt of anderszins in de openbaarheid was gebracht. Dit arrest brengt in zoverre dus geen duidelijkheid. Voorts HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1361. De Hoge Raad oordeelde in die zaak – kort gezegd - dat het huidige art. 72, eerste lid, Sr van toepassing was en dat dit betekent dat de verjaring van het recht tot strafvordering reeds is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding, en niet pas door de uitreiking van die dagvaarding. De dagvaarding hoeft derhalve niet bij de verdachte bekend te zijn. Het uitbrengen van de dagvaarding, een voor derden kenbare en dus ‘openbare’ handeling, is immers al voldoende om te kunnen spreken van een daad van vervolging. Uit dit arrest kan echter niet worden afgeleid of een handeling die in het geheel niet openbaar is al dan niet een daad van vervolging in de hier bedoelde zin kan opleveren. Ten slotte wijs ik op HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1555. De Hoge Raad wees hierin op vier zich bij de stukken bevindende verstekmededelingen als bedoeld in art. 366 Sv Pro met betrekking tot een vonnis van de politierechter. Deze dienden volgens de Hoge Raad te worden aangemerkt als daden van vervolging, nu deze mededelingen in verband met het bepaalde in art. 557, tweede lid Sv ertoe strekten te bewerkstelligen dat het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar werd. Deze formulering is (kennelijk) ontleend aan HR 31 oktober 1967, ECLI:NL:HR:1967:LJN AB6540,
NJ1968/85. Uit de conclusie bij het arrest van 3 december 2013 blijkt dat wel gepoogd is de bedoelde vier verstekmededelingen uit te reiken op een bepaald adres, maar dat dit zonder succes bleef nu de brieven met de akten steeds zijn teruggezonden naar de afzender. Voorts blijkt uit de conclusie dat voorafgaande aan deze pogingen geen adresverificatie door het OM heeft plaatsgevonden (waaruit in de conclusie vervolgens wordt geconcludeerd dat er, mede gelet op art. 588 Sv Pro, geen sprake was van serieuze pogingen om de uitspraak aan de verdachte mede te delen en er derhalve geen sprake was van enige daad van vervolging). Gelet op de uit de conclusie volgende pogingen om de verstekmededelingen uit te reiken, welke pogingen m.i. als openbare aangelegenheden moeten worden beschouwd, kan uit het arrest van de Hoge Raad derhalve niets worden afgeleid over een eventuele eis van openbaarheid.