ECLI:NL:HR:2012:BW6184
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. De Hoge Raad beoordeelt of er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de verschillende fases van de procedure. Het hof had geoordeeld dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, noch in de eerste cassatiefase, noch in de appelfase na verwijzing.
De verdediging stelde dat er wel degelijk sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, met name in de eerste cassatiefase, en dat dit tot strafvermindering moest leiden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht geen overschrijding constateerde in de appelfase, maar dat er wel sprake is van overschrijding in de eerste cassatiefase, aangezien tussen het instellen van cassatie en de uitspraak meer dan zestien maanden zijn verstreken terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.
Omwille van doelmatigheid vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor wat betreft de duur van de straf en vermindert deze tot elf jaar en zeven maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aanwezig.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de eerste cassatiefase.