Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat de bewezenverklaring van feit 4, gelet op het gevoerde betrouwbaarheidsverweer door de verdediging, onvoldoende met redenen is omkleed.
[slachtoffer 1]:
verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 verklaard - zakelijk weergegeven - :
[getuige 1]:
[getuige 2]:
[betrokkene 1]:
M. Mulders. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van deze arts:
M. Mulders. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven als relaas van deze arts:
tweede middelwordt geklaagd dat het Hof ten aanzien van feit 3 en feit 4 (telkens) ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen door in de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten op te nemen dat deze 'meermalen gepleegd' zijn.
derde middelklaagt over de strafmotivering en valt uiteen in drie klachten.
na[cursivering door mij; AEH] de bewezen feiten opgelegd’, de verdachte kennelijk niet ervan hebben kunnen weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Mijns inziens is hier sprake van een evidente verschrijving. Uit de inhoud van het door het Hof genoemde uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 12 november 2014 volgt duidelijk dat de drie strafzaken waarnaar het Hof heeft verwezen onherroepelijk zijn geworden in 1998, 2001 en 2002. Het kan daarom bezwaarlijk anders worden gesteld dan dat Hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de voor die zaken opgelegde straffen en maatregel vóór de onderhavige bewezenverklaarde feiten (pleegdata: 11 mei 2003, 9 juli 2011 en 19-20 november 2010) zijn opgelegd en onherroepelijk zijn geworden. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en tegen de achtergrond van het dossier, is hier evident sprake van een verschrijving door het Hof. De Hoge Raad kan de strafmotivering in zoverre verbeterd lezen, waardoor de grondslag aan de klacht komt te ontvallen.