ECLI:NL:HR:2012:BW7476
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging teruggeleiding kinderen naar Nigeria bij internationale kinderontvoering
In deze zaak staat het verzoek tot teruggeleiding van twee kinderen naar Nigeria centraal, nadat de moeder met hen naar Nederland was vertrokken. De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank om terugkeer van de kinderen te gelasten, maar de rechtbank wees dit af. Het gerechtshof vernietigde deze beslissing en beval de onmiddellijke teruggeleiding naar Nigeria.
De moeder stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest, ondanks het rechtsmiddelenverbod in art. 13 lid 8 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. De Hoge Raad oordeelde dat cassatie toch ontvankelijk kon zijn omdat het ging om de toepassing van de regeling en fundamentele rechtsbeginselen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van de moeder. Het hof had terecht het verzoek tot teruggeleiding kunnen toetsen aan de afwijzingsgronden van het Haags Kinderontvoeringsverdrag, ook al is Nigeria geen partij bij het verdrag. Daarnaast kan een beroep op schending van art. 8 EVRM Pro niet als doorbrekingsgrond gelden.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het hofbesluit en wees het cassatieberoep af, waarmee de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar Nigeria werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het hofbesluit tot onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar Nigeria wordt bekrachtigd.