Conclusie
(hierna: de pleegouders).
Inleiding en samenvatting
3.Juridisch kader
Ondertoezichtstelling, machtiging uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW Pro in staat zijn te dragen.
(…)
Indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, dient de – nieuwe – maatregel tot gezagsbeëindiging te worden overwogen waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders. Dit is een belangrijke concretisering van het belang dat een kind heeft bij stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding. Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, moet overwogen worden of het kind nog langer in onzekerheid mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie.
Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder vergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. Voor jongere kinderen zal de termijn over het algemeen korter zijn dan voor de oudere kinderen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk; precieze termijnen zijn niet te geven.”
Een aparte toets door de kinderrechter met betrekking tot het perspectiefbesluit, zoals voorgesteld door de RSJ, heeft naar mijn mening dan geen meerwaarde. De rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit valt dan samen met de toetsing van de GBM. Ook zie ik geen meerwaarde in het realiseren van een zelfstandige rechtspositieregeling voor het perspectiefbesluit voor ouders en kind. Deze zit namelijk besloten in de GBM. Een eigenstandige rechtspositieregeling en rechterlijke toets van het perspectiefbesluit zou onnodige juridisering betekenen van deelprocessen in de kinderbescherming. Als een kinderrechter een GBM oplegt kunnen ouders hiertegen hoger beroep aantekenen bij het Gerechtshof.
Ik ga over deze onderwerpen met RvdK, Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Rechtspraak in gesprek om hier concrete afspraken over te maken zodat na het perspectiefbesluit zo spoedig mogelijk een verzoek tot onderzoek naar een GBM wordt ingediend en dit tijdig wordt getoetst door de kinderrechter.
Uit de tussenevaluatie van de herziene kinderbeschermingswetgeving, waarover ik uw Kamer destijds heb geïnformeerd, blijkt ook dat de GBM niet altijd in het belang van het kind is. GI’s kunnen de GBM een te grote stap vinden en daarom het proces tot GBM niet in gang zetten. In deze gevallen vindt dan geen toets plaats van de kinderrechter of een GBM aangewezen is. In overleg met de RvdK, Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Rechtspraak wil ik voor deze uitzonderingsgevallen nagaan welke verbeterafspraken we kunnen maken in relatie tot het perspectiefbesluit, zodat ook in deze gevallen tijdig een toets plaatsvindt door de kinderrechter.
binnen het bestaande juridische kader van de ots en GBMin de praktijk te verbeteren en daarmee de rechtsbescherming van ouders en kinderen te verstevigen. Over de voortgang zal ik uw Kamer bij de voortgangsbrief jeugd van november 2021 informeren.” [onderstreping A-G]
Het advies van de RSJ vormt voor mij dan ook aanleiding om met de rechtspraak, GI en de RvdK afspraken te maken over kortetermijnoplossingen binnen de huidige procedures om het beoogde doel te bereiken, te weten een snellere toetsing door de kinderrechter en een betere rechtspositie voor ouders en kinderen. Met deze afspraken wil ik onnodige juridisering voorkomen en oplossingen vinden binnen de kaders van de kinderbeschermingswetgeving.Over de voortgang informeer ik uw Kamer in het najaar 2021 in de voortgangsbrief jeugd. Zoals ik echter in mijn reactie op het advies van de RSJ reeds aangaf zie ik
vooralsnog geen meerwaarde in het realiseren van een zelfstandige rechtspositieregeling voor het perspectiefbesluit voor ouders en kind, omdat de ouders dan tweemaal naar de kinderrechter zouden moeten, voor zowel het perspectiefbesluit als voor de gezagsbeëindigende maatregel. In dat geval zouden verschillende juridische procedures naast elkaar gaan lopen en dat vind ik niet gewenst. Ik wil onnodige juridisering van deelprocessen in de kinderbescherming voorkomen.De leden van D66 hebben voorts gevraagd of afspraken over termijnen waarbinnen een verzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel wordt ingediend bij de RvdK en wordt voorgelegd aan een kinderrechter wel afdoende zijn.
De RvdK, Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Rechtspraak gaan op dit moment na hoe de huidige procedures zo goed mogelijk benut kunnen worden, zodat een snelle toetsing door de kinderrechter kan plaatsvinden.Daarmee is nog niet gezegd dat deze afspraken volstaan en dat aanvullende wet- of regelgeving in zijn geheel niet nodig is. In het najaar volgen de uitkomsten van de gesprekken op basis waarvan ik verder wil bezien wat er nodig is, mede in het licht van de evaluatie van de herziene KB-wetgeving.
om het perspectiefbesluit wettelijk vast te leggen. Ook de leden van de SGP-fractie hebben gevraagd waarom ik geen wettelijke basis creëer. In reactie hierop geef ik aan dat besluitvorming op dit punt een zorgvuldige en integrale afweging vereist. Ik ben de RSJ erkentelijk voor hun analyse en hun advies om een zelfstandig rechtspositiereglement voor het perspectiefbesluit te realiseren. Alvorens te besluiten tot nieuwe wetgeving, acht ik het echter zorgvuldig om met de GI, RvdK en Raad voor de Rechtspraak te verkennen waar kansen op verbetering in de praktijk liggen, die aansluiten op de behoeften van ouders en kinderen om hun bezwaren tijdig te laten toetsen door een kinderrechter. Daarbij hangt het perspectiefbesluit als pedagogisch besluit nauw samen met de gezagsbeëindigende maatregel. Indien uit de gesprekken met de rechtspraak, de GI’s en de RvdK blijkt dat wetswijzigingen nodig zijn, dan ligt het daarom voor de hand dit te doen in aansluiting op en passend bij de eventuele voorstellen tot wetswijzigingen die uit de evaluatie van de wet volgen. Eventuele wetswijzigingen moeten zorgvuldig worden getoetst op compatibiliteit met het huidige systeem van kinderbeschermingsmaatregelen. (…)