ECLI:NL:HR:2012:BY2000
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing kamerprogramma als dwangbehandeling in psychiatrisch ziekenhuis
Betrokkene was op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en kreeg een schriftelijke aanzegging van dwangbehandeling met medicatie. Betrokkene klaagde over de wijze van toediening van medicatie en het zogenaamde kamerprogramma, een gestandaardiseerde dagindeling waarbij hij delen van de dag in zijn kamer doorbracht.
De klachtencommissie en de rechtbank verklaarden de klachten ongegrond, waarbij de rechtbank oordeelde dat het kamerprogramma geen afzondering of separatie betrof en dus geen middel of maatregel als bedoeld in art. 39 Wet Pro Bopz was, maar onderdeel van de reguliere behandeling. Betrokkene stelde in cassatie dat het kamerprogramma gelijkgesteld moest worden aan separatie en dat schriftelijke kennisgeving ontbrak.
De Hoge Raad bevestigde dat het kamerprogramma geen afzondering of separatie inhoudt en dus niet onder art. 39 Wet Pro Bopz valt. Echter, omdat het kamerprogramma als dwangbehandeling in de zin van art. 38b en 38c Wet Bopz kan worden aangemerkt, is schriftelijke gemotiveerde kennisgeving vereist volgens art. 40a Wet Bopz. Omdat de rechtbank niet had onderzocht of deze kennisgeving was gegeven, oordeelde de Hoge Raad dat de beschikking vernietigd moest worden en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank wegens het ontbreken van schriftelijke gemotiveerde kennisgeving en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.