Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
Bespreking van het cassatiemiddel
nietop de persoon toegespitste vrijheidsbeneming in strijd met art. 5, lid 1 aanhef en onder e, EVRM.
individueletoestand van betrokkene:
Parket bij de Hoge Raad
Betrokkene verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis onder een machtiging tot voortgezet verblijf. Na eerdere klachten over beperkingen in telefoonverkeer, bewegingsvrijheid, bezoekrecht en post, stelde de rechtbank dat het kamerprogramma een vorm van dwangbehandeling was op grond van art. 38c Wet Bopz. De rechtbank oordeelde dat de maatregel noodzakelijk was ter bescherming van betrokkene en medecliënten.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onjuist het externe gevaarscriterium toepaste in plaats van het interne en dat er onvoldoende individuele beoordeling was. De Hoge Raad constateerde een verschrijving in de beschikking maar oordeelde dat dit eenvoudig kon worden gecorrigeerd en dat de toetsing aan beide criteria vergelijkbaar is. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het kamerprogramma onderdeel is van het behandelingsplan en dat de beperking proportioneel en subsidiar is.
De Hoge Raad verwierp het beroep ook vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag voor de klachten over individuele beoordeling en over het ontbreken van onderbouwing van het vermeende misbruik. De rechtbank had de stellingen van betrokkene onderkend en verworpen met voldoende motivering. De beperking van bewegingsvrijheid was niet bedoeld als sanctie maar ter afwending van gevaar veroorzaakt door de stoornis. De Hoge Raad concludeert dat het beroep niet slaagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beperking van bewegingsvrijheid binnen het kamerprogramma wordt als rechtmatig bevestigd.