3.2.2 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de alimentatieverplichting van de man eindigt op 1 mei 2010. Het heeft de alimentatie over de periode van 1 maart 2004 tot 1 mei 2010 gesteld op € 670,-- per maand en geoordeeld dat de vrouw een bedrag van € 8.000,-- bruto wegens teveel ontvangen alimentatie aan de man moet terugbetalen. Hetgeen het hof heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat.
Het inkomen van de vrouw uit werk en uitkering bedraagt over de periode 2004-2009 gemiddeld € 2.112,-- bruto per maand; de behoefte van de vrouw over die periode is gemiddeld € 2.781,-- bruto per maand.
De alimentatieverplichting van de man wordt gesteld op € 670,-- bruto per maand. (rov. 18-19)
Onderzocht dient te worden of beëindiging van de alimentatieverplichting op grond van art. II lid 2 WLA met ingang van 1 mei 2009 van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. (rov. 20)
De vrouw had tot april 2009 naast de alimentatie een eigen inkomen van € 1.786,-- netto per maand. Door het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 13 april 2009 is haar inkomen gedaald naar € 1.282,-- netto per maand. In aanmerking genomen dat de vrouw nauwelijks over enig vermogen beschikt, zou het beëindigen van de alimentatie per 1 mei 2009 voor de vrouw ingrijpend zijn. (rov. 24)
De vrouw heeft zich voldoende inspanningen getroost om te trachten zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Door haar arbeidsongeschiktheid werd zij beperkt in het benutten van haar verdiencapaciteit. De vrouw is in maart 2004 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Ondanks haar toenemende arbeidsongeschiktheid en haar vorderende leeftijd heeft de vrouw tot aan haar pensioen werkzaamheden verricht in de thuiszorg. (rov. 26)
Niet aannemelijk is geworden dat de man financieel niet in staat is de door het hof vastgestelde alimentatie te voldoen. (rov. 27)
Het hof heeft daarna het volgende overwogen.
"28. Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw niet heeft kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie. Het hof acht beëindiging per 1 mei 2009 van zodanig ingrijpende aard dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans nog niet van de vrouw kan worden gevergd.
De genoemde omstandigheden aan de zijde van de vrouw laat het hof zwaarder wegen dan de omstandigheden aan de zijde van de man. Wel kan van de vrouw gevergd worden dat de alimentatie met ingang van 1 maart 2004 wordt bepaald op
€ 670,- bruto per maand. Dit laat onverlet dat de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting van de man op enig moment zou eindigen en dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 haar bestedingspatroon zodanig had aangepast en maatregelen had getroffen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kon voorzien. Gezien de hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw acht het hof een beëindiging na verloop van één jaar, te weten per 1 mei 2010, niet zodanig ingrijpend meer dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van de vrouw kan worden gevergd. Het hof zal de alimentatieverplichting van de man per die datum beëindigen."