Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Het huwelijk van partijen is ontbonden op 11 maart 2014.
- ii) Zij zijn de ouders van de volgende kinderen:
- iii) De kinderen verbleven ten tijde van het wijzen van de thans in cassatie bestreden beschikking bij de vrouw.
- iv) Bij eerdere beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5 februari 2015
5. De motivering van de beslissing
2.Beoordeling van het cassatieberoep
in de beschikking van 5 februari 2015 de feiten dat de man vanaf 1 april 2013 eerst een WW- en vervolgens een Ziektewetuitkering heeft ontvangen niet, dan wel onvoldoende zijn meegewogen en aldus van onjuiste gegevens is uitgegaan,zodat het hof de draagkracht van de man in beginsel per 1 april 2013 opnieuw dient te beoordelen.
nade datum van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2015. Hierdoor is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom het hof Arnhem-Leeuwarden desondanks deze uitkering (wel) in zijn beoordeling mee had kunnen nemen. De man heeft hier in de processtukken niets over gesteld.
WW-uitkeringvanaf 2013 faalt zij derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag.
voortskeert tegen het kwalificeren van de ontvangst – eerst per 25 mei 2015 [19] – van een
Ziektewetuitkeringals ‘niet dan wel onvoldoende’ door het hof Arnhem-Leeuwarden ‘meegewogen feit’, faalt het bij gebrek aan belang. De herbeoordeling van de draagkracht van de man per 1 april 2013 vond immers reeds haar rechtvaardiging in het – tevergeefs bestreden – oordeel betreffende het niet althans onvoldoende meewegen van de WW-uitkering.
van aanvang af(zoals vereist door art. 1:401 lid 4 BW Pro) niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
subonderdeel 1.3(verzoekschrift nr. 6) heeft het hof daarnaast miskend dat een wijziging van omstandigheden ingetreden
nade beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden niet kan leiden tot wijziging van de onderhoudsbijdragen in de aan die wijziging of beschikking voorafgaande periode. [20] Ik ga er vanuit dat onder ‘wijziging van omstandigheden’ wordt verstaan het per 25 mei 2015 ontvangen van een Ziektewetuitkering door de man.
in aanmerking heeft genomen dat op de uitkering van de man beslag is gelegd door het LBIO, zodat hij – zoals hij onweersproken ter terechtzitting heeft gesteld – rond moet zien te komen van een bedrag van € 700,- à 800,- netto per maand.Het onderdeel stelt dat voormeld beslag was gelegd namens de vrouw ter zake de achterstallige kinder- en partneralimentatie vanaf april 2013 respectievelijk maart 2014 [21] en dat de achterstand per 16 december 2016 € 76.045 bedroeg. [22] Het klaagt vervolgens dat het hof heeft miskend dat de in de bestreden beschikking uitgesproken nihilstelling tot gevolg heeft dat de man de vorderingen waarvoor beslag is gelegd niet meer hoeft af te betalen. De man heeft daardoor – zowel tot aan de beschikking van het hof als daarna – meer draagkracht dan waarvan het hof lijkt uit te gaan. Het hof had dat effect in zijn oordeelsvorming mee behoren te nemen dan wel zijn oordeel op dat punt nader behoren te motiveren. [23]
nu onduidelijk is of en wanneer de echtelijke woning zal worden verkocht, geen rekening houdt met de door de vrouw gestelde [25] mogelijkheid van de man zijn schulden af te lossen met het hem toekomende deel van de eventuele overwaarde van de echtelijke woning.
subonderdeel 3.1(verzoekschrift nr. 9) klaagt dat het hof in het licht van HR 28 januari 2011, JPF 2011/70 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van de man niet verwacht mag worden dat hij inteert op zijn vermogen door tot verkoop van de woning over te gaan, dan wel waarom deze onduidelijkheid niet aan de man kan worden toegerekend. De motivering is temeer onvoldoende nu door de advocaat van de vrouw ter zitting – onbetwist – is gesteld dat de woning op last van de rechtbank Lelystad moet worden verkocht. [26] Een en ander klemt volgens het middel temeer daar hier sprake is van nihilstelling met vergaande financiële gevolgen voor de vrouw en de kinderen.
(“De man zou die achterstand kunnen betalen, met zijn inkomsten, maar ook uit de overwaarde van de echtelijke woning. Dat wil de man echter niet.” [29] ) uitdrukkelijk onder ogen gezien, maar geoordeeld dat nu onduidelijk is of en wanneer de echtelijke woning – die gemeenschappelijk eigendom is [30] – zal worden verkocht, het hof geen rekening houdt met de door de vrouw gestelde mogelijkheid van de man zijn schulden af te lossen met het hem toekomende deel van de eventuele overwaarde van die woning. Dat oordeel is, mede gezien het (ontbreken van) partijdebat omtrent deze terloopse niet nader uitgewerkte stelling van de vrouw, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Hetgeen de advocaat van de vrouw ter zitting van het hof heeft aangevoerd (
“de rechtbank Lelystad heeft al beslist dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht.” [31] ) maakt het vorenstaande niet anders. Ook met inachtneming van deze stelling blijft onduidelijk of er sprake is van overwaarde en zo ja hoe hoog deze overwaarde is. De omstandigheid dat de nihilstelling volgens het middel vergaande financiële gevolgen voor de vrouw en de kinderen heeft maakt ook niet dat het oordeel van het hof een nadere motivering behoefde.
waaromdoor die beslissing of overweging het recht is geschonden. [35]
waaromdoor de bestreden overweging het recht is geschonden. In dat opzicht faalt het middel reeds omdat het niet voldoet aan de daaraan op de voet van artikel 426a lid 2 Rv te stellen eisen.
alle schuldenvan de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. [36]