Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 15 februari 2013, nr. AWB 12/717, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende verkreeg in november 2011 een onverdeeld eigendomsaandeel van een perceel grond bestemd voor woningbouw. Over de verkrijging werd overdrachtsbelasting betaald tegen het reguliere tarief van zes procent. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing en verzocht om teruggaaf op grond van een tariefsverlaging naar twee procent voor woningen, die sinds juni 2011 geldt.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verlaagde tarief niet van toepassing is op grond zonder fundering, ook als deze bestemd is voor woningbouw. De wetgever heeft bewust gekozen voor een objectieve afbakening waarbij alleen woningen met fundering onder het verlaagde tarief vallen. Dit criterium is praktisch uitvoerbaar en overschrijdt de beoordelingsmarge niet.
De Hoge Raad oordeelt dat deze regeling niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod uit het EVRM en IVBPR, noch met het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Klachten over ongelijke behandeling en discriminatie falen. Ook nieuwe klachten die feitelijk onderzoek vereisen worden niet toegelaten. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; het verlaagde tarief overdrachtsbelasting geldt niet voor grond zonder fundering.