Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 15 februari 2013, nr. AWB 12/718, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende had overdrachtsbelasting betaald over de verkrijging van een onroerende zaak en verzocht om teruggaaf op grond van een tariefsverlaging. De Inspecteur wees dit verzoek af en de Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en verwijst naar een eerder arrest met nummer 12/05060 waarin de gronden voor afwijzing van de klachten zijn weergegeven. De Hoge Raad oordeelt dat de tariefsverlaging in de overdrachtsbelasting niet van toepassing is op grond waarop nog geen fundering is gelegd, en dat dit geen discriminatie oplevert in de zin van art. 14 EVRM Pro en andere relevante bepalingen.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hiermee blijft de uitspraak van de Rechtbank in stand en wordt het standpunt van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de tariefsverlaging geldt niet voor grond zonder fundering.