Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
wide margin of appreciationdie de formele wetgever alsdan heeft, kon hij redelijkerwijs belanghebbendes geval als niet-gelijk beschouwen aan een woning in aanbouw. Indien – vanuit het doel van de maatregel bezien – wél gelijkheid zou worden aangenomen (het doel van de maatregel wordt immers wellicht even zeer gediend door ook onherroepelijk aanbesteding van woningbouw te faciliteren), bestaat een rechtvaardiging voor het onderscheidingscriterium, nl. de noodzaak om het bereik van een fiscale stimuleringsmaatregel
ergensrationeel af te bakenen. Dat sprake zou zijn – bezien vanuit de gerechtvaardigde ratio van de regeling – van een
manifestly unreasonable en arbitraryresultaat, kan mijns inziens al helemaal niet gezegd worden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
junctoart. 1 Eerste Pro protocol EVRM (eigendomsgrondrecht).
3.Het geding in cassatie
wide margin of appreciationheeft die erop neerkomt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) pas ingrijpt als het nationaalrechtelijke onderscheid
devoid of reasonable foundationis, dan wel
manifestly arbitrary or unreasonable, leidende tot een
individual and excessive burden. Nu van de eerste twee in casu al geen sprake is, hoeft het laatste criterium niet onderzocht te worden.
4.Art. 14 Wet Pro BRV; ‘woningen’
5.Het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur
wetgeverdie tot ‘woning’ bestempeld heeft hetgeen manifest (nog) geen woning is omdat men er met geen mogelijkheid in kan wonen.
6.Het volkenrechtelijke discriminatieverbod
Åkerberg Fransson [18] van het HvJ EU niet relevant. Dan blijft over rechtstreeks werkend volkenrecht.
wide margin of appreciationter zake van de vragen of categorieën van gevallen vergelijkbaar zijn vanuit de ratio van de heffing en of een onderscheid gerechtvaardigd kan worden. De zaak
Della Ciaja v. Italy [20] voor het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) betrof het Italiaanse successietarief dat hoger werd met de omvang van de nalatenschap, ongeacht het aantal verkrijgenden, waardoor van elk van de vier erfgenamen meer successierecht werd geheven dan als ieder hetzelfde zou hebben geërfd als enige erfgenaam. De erfgenamen achtten dat een ontoelaatbare fiscale discriminatie; het EHRM niet:
legitimate aimbestaat en zo ja, of het middel om dat doel te bereiken disproportioneel is tot dat op zichzelf aanvaardbare doel. In beginsel ware pas in te grijpen als de nationale maatregel
devoid of reasonable foundationis, dan wel tot
manifestly arbitrary or unreasonableresultaten leidt. [21]
wide margin of appreciationter zake van belastingmaatregelen vrij, ook bij instrumentele belastingwetgeving zoals de litigieuze. Dan dient zich de noodzaak aan tot aanwijzing van een criterium om te kunnen onderscheiden tussen ‘in aanbouw’ en ‘(nog) niet in aanbouw’. De wetgever heeft gekozen voor het onderscheidingscriterium ‘fundering moet gelegd zijn’. Dat is een objectief en rationeel onderscheidingscriterium in het licht van het gerechtvaardigde doel van de maatregel dat bovendien niet behoort tot de groep van de ‘verdachte’ persoonlijke-statuscriteria die opgesomd worden door de geciteerde volkenrechtelijke bepalingen, noch anderszins ‘verdacht’ is.
altijdeen verruiming van de doelgroep mogelijk die het beoogde doel wellicht nog meer zou stimuleren, al dan niet met afnemend grensnut, maar dat wil geenszins zeggen dat de wetgever rechtens verplicht zou zijn de ruimst mogelijke stimulering van zijn doel te kiezen.
legitimate aim) voor het gemaakte onderscheid, zo die in casu al nodig is, ligt dus in de inherente noodzaak om bij fiscale stimuleringsmaatregelen – en trouwens bij alle belastingmaatregelen – de doelgroep af te bakenen. Zoals het EHRM overwoog (zie 6.6 hierboven):
devoid of reasonable foundationis. Integendeel: het is gebaseerd op een objectief-feitelijk criterium en het is juist rationeel, bezien vanuit het doel van de maatregel en de noodzaak om de doelgroep ervan af te bakenen. Dat ook een (iets) ruimere of engere afbakening gekozen had kunnen worden, doet niet ter zake.
manifestly unreasonable en arbitraryresultaat, bezien vanuit het doel van de maatregel en de noodzaak de doelgroep ervan af te bakenen, doet zich niet voor.
Nederlandse wetgevingkwalificeert, en daarom niet vrijgesteld zou zijn van overdrachtsbelasting, snijdt mijns inziens geen hout.
windfall profitvoor de belanghebbende kan dreigen, aan wie immers geen omzetbelasting in rekening is gebracht door haar leverancier die haar volgens haar eigen stelling wél in rekening gebracht had moeten worden. Van dreigend onrecht bij niet-ingrijpen van ambtswege lijkt dus geen sprake.