ECLI:NL:HR:2013:BX6710
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting wegens vervangingsreserve en belastingverdrag Nederland-Luxemburg
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, had in 1998 en 1999 onroerende zaken verkocht en daarvoor een vervangingsreserve gevormd. Voor het jaar 2001 werd een navorderingsaanslag opgelegd omdat de Inspecteur meende dat het vervangingsvoornemen was prijsgegeven en de reserve tot de winst moest worden gerekend.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. Het Hof oordeelde dat, zelfs als belanghebbende sinds 1995 haar werkelijke leiding in Luxemburg zou hebben, de winst uit de verkoop van in Nederland gelegen onroerende zaken in Nederland belast kan worden en dat de vervangingsreserve uiterlijk in 1999 tot de winst had moeten worden gerekend. De omzetting van de vervangingsreserve in een herinvesteringsreserve en de toepassing van de foutenleer rechtvaardigden de navordering in 2001.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het belastingverdrag Nederland-Luxemburg niet in de weg staat aan belastingheffing in een later jaar dan het jaar van vervreemding. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2001.