Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 26 maart 2013, nr. 11/00302, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, inwoner van Nederland, bezat participaties in buitenlandse beleggingsfondsen gevestigd in België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. Voor het jaar 2006 werd een forfaitair rendement van 4% over deze participaties belast in box 3 van de Wet IB 2001, ongeacht of dividend was uitgekeerd. Een deel van de fondsen keerde dividend uit waarover buitenlandse bronbelasting werd geheven, het andere deel niet.
De Inspecteur handhaafde de aanslag, de rechtbank en het gerechtshof bevestigden dit. Belanghebbende stelde in cassatie dat de belastingverdragen Nederland alleen het heffingsrecht toekennen over daadwerkelijk betaalde dividenden, en dat de forfaitaire rendementsheffing daarom niet geoorloofd zou zijn. Daarnaast vorderde hij een verrekening van fictieve bronbelasting over participaties zonder dividenduitkering.
De Hoge Raad overwoog dat de belastingverdragen Nederland het heffingsrecht toekennen over dividenden, maar dat binnen die heffingsbevoegdheid ruimte bestaat voor nationale regelingen zoals forfaitaire rendementsheffing. Deze nationale ficties mogen de verdragsbepalingen niet ontdoen van hun werking, maar zolang de heffing binnen de verdragsgrenzen blijft, is deze toegestaan. De forfaitaire rendementsheffing blijft binnen die grenzen omdat toekomstige inkomsten als dividend of vermogenswinst aan Nederland kunnen toevloeien. De vordering tot verrekening van fictieve bronbelasting faalt omdat noch de verdragen noch de nationale wetgeving daarvoor grond bieden.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de forfaitaire rendementsheffing binnen de heffingsbevoegdheid van Nederland.