Conclusie
eerste middelklaagt over schending van ne bis in idem. De Rechtbank zou een straf hebben opgelegd ter zake van feiten uit een vonnis als eerder door Nederland van Duitsland overgenomen, althans de Rechtbank zou het verweer betreffende ne bis in idem hebben verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
14.Het eerste middelfaalt.
tweede middelklaagt over schending van art. 31 Wots Pro en art. 44, tweede lid, van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIG).
21.Het tweede middeltreft doel, maar behoeft niet tot cassatie te leiden..
derde middelklaagt over schending van de artt. 31 Wots en 57 en 63 Wetboek van Strafrecht, omdat de Rechtbank bij de omzetting van de Belgische straf geen rekening heeft gehouden met het vonnis van het Landgericht Oldenburg.
27.Het derde middeltreft geen doel.
vierde middelklaagt over schending van art. 31 Wots Pro en art. 6 EVRM Pro, omdat de Rechtbank in het bestreden arrest ten onrechte het verweer heeft verworpen dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting door het Hof Antwerpen in hoger beroep.