Conclusie
eersteen het
tweede middelrichten zich tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de genoegzaamheid van de door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde stukken. Alvorens deze middelen te bespreken, geef ik hieronder eerst de relevante passages van de tijdens de openbare behandeling van het uitleveringsverzoek overgelegde pleitnota van de raadsman van [de opgeëiste persoon] en van de bestreden uitspraak weer.
eerste middelwordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het bepaalde in art. 9, tweede lid aanhef en onder e, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111; hierna: het Uitleveringsverdrag) in casu niet meebrengt dat het uitleveringsverzoek dient te worden aangevuld met de Amerikaanse wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht.
tweede middelbevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de op grond van art. 9, tweede lid aanhef en onder c en d, van het Uitleveringsverdrag vereiste wettelijke bepalingen bij het Amerikaanse uitleveringsverzoek zijn gevoegd.
derde middelwordt betoogd dat de rechtbank in haar uitspraak in strijd met het bepaalde in art. 28, derde lid, van de Uitleveringswet niet een voldoende duidelijke vermelding heeft opgenomen van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.
vierde middelheeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat in casu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid ex art. 5, eerste lid aanhef en onder a, van de Uitleveringswet.