Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
1 juli 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen. De verdediging had een voorwaardelijk verzoek ingediend om een verbalisant als getuige te horen, omdat het proces-verbaal van 17 februari 2010 niet ondertekend was door verdachte en hij ontkende de verklaring te hebben afgelegd.
Het hof had geoordeeld dat het proces-verbaal ondanks de vorm niet onrechtmatig was en voldoende betrouwbaar om als bewijs te dienen. De verklaring van verdachte in het proces-verbaal toonde aan dat hij wist van het vuurwapen en dat het in het huis aanwezig was. Het hof verwierp het verzoek tot het horen van de verbalisant wegens gebrek aan noodzaak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had gehanteerd bij de afwijzing van het getuigenverzoek en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.