Conclusie
29 november 2013 wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
- man;
- 1.75- 1.77 m.;
- korte, zwarte lederen jas met een hoge kraag;
- baseballpet donker van kleur met witte letters van New York erop;
- blauwe spijkerbroek.
- Zwarte lederen jas is van het merk Totu Group;
- Ipad 2 met code [001].
[verbalisant 3] (dossierpagina's 10-11).
- [betrokkene 2], geboren d.d. [geboortedatum] 1979 te [plaats];
- [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1986 te [plaats].
De signalementen zijn niet vaag, wel vrij algemeen, behalve ten aanzien van de beschrijving van de donkere pet met wit opschrift New York (dossierpag. 13 en 63), die zeer specifiek is. Dat de aangever niet ook de letters NY, die overigens op het eerste gezicht niet zonder meer als letters herkenbaar zijn, en de tierlantijnen heeft vermeld doet daaraan niet af.
Ten aanzien van de totstandkoming van de verklaring van de aangever overweegt het hof dat gebruikelijk is dat bij aangiften door de verbalisanten een routekaartje beschikbaar wordt gesteld en met behulp daarvan met de aangever de route wordt besproken. Alhoewel in voornoemd proces-verbaal van de aangifte niet staat vermeld in welke taal de aangever is gehoord en/of er hulp van een tolk was, is het hof van oordeel dat dit proces-verbaal wel voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat over de essentie van de aangifte geen discussie bestaat. De essentie houdt in dat de aangever heeft verklaard dat hij onder meer een gouden ketting met kruis, een lederen jas en een Ipad bij zich had en dat deze bij hem zijn weggenomen. Deze goederen zijn vervolgens bij [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), aangetroffen.
5.Het eerste en het tweede middel
eerste middelklaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Aangevoerd wordt dat deze beslissing onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd. Het
tweede middelklaagt dat het recht op een eerlijk proces zoals gegarandeerd door art. 6 EVRM Pro is geschonden, omdat het Hof de aangifte van [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebruikt terwijl de bewezenverklaring
solely or to a decisive extentsteunt op deze verklaring en de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Klaarblijkelijk is hieraan geen gehoor gegeven voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2013. Het proces-verbaal van deze terechtzitting luidt, voor zover relevant, als volgt:
Het verzoek wordt dan ook afgewezen.”
solely or to a decisive extentsteunt op de verklaring van [betrokkene 1] gaat naar mijn mening niet op. Voor zover die verklaring inhoudt dat hij ([betrokkene 1]) is beroofd, vindt de verklaring steun in de bevindingen van de verbalisanten dat de desbetreffende voorwerpen kort nadat [betrokkene 1] de beroving bij de politie had gemeld in het bezit waren van een persoon ([betrokkene 2]) die voldeed aan het door de aangever opgegeven signalement, en die zich in de onmiddellijke nabijheid van de door de aangever genoemde plaats delict bevond. [2] Dat verdachte bij die beroving was betrokken, volgt daarbij bepaald niet alleen uit het door [betrokkene 1] opgegeven signalement, maar ook uit de bevindingen van de verbalisanten dat verdachte voldeed aan dat signalement en dat hij zich bevond in het gezelschap van de zojuist genoemde persoon ([betrokkene 2]) die de gestolen voorwerpen met zich voerde.
sole or decisive-rulebetrekking heeft op verklaringen die door de verdediging zijn betwist. In dit geval is de betrouwbaarheid van de verklaring die [betrokkene 1] aflegde door de verdediging niet wezenlijk aangevochten. De stelling van de verdediging was niet dat [betrokkene 1] de beroving uit zijn duim had gezogen en evenmin dat [betrokkene 1] met opzet of bij vergissing een onjuist signalement had opgegeven. De stelling van de verdediging was dat verdachte, hoewel hij beantwoordde aan het opgegeven signalement, toch niet een van de personen was geweest die [betrokkene 1] had beroofd. Wel zijn door de raadsman in zijn pleidooi vraagtekens geplaatst bij de wijze waarop [betrokkene 1] is verhoord (met een tolk of niet), waarbij het vermoeden werd geuit dat [betrokkene 1] door de politie “substantieel” zou zijn geholpen, “in het bijzonder [bij] het duiden van de plekken van de mogelijke straatroof”. Op die plaatsaanduiding berust het bewijs echter niet uitsluitend of in beslissende mate.