Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het bewijs slechts berust op de verklaringen van één getuige. De overweging van het hof dat de verklaringen van de aangeefster over het betasten van haar lichaam door de verdachte voldoende steun vinden in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , al hebben laatstgenoemde verklaringen geen betrekking op de door het hof bewezenverklaarde voorvallen, zou onjuist en/of onbegrijpelijk zijn, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zou zijn. In de toelichting op het middel klagen de stellers ook dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
(het hof begrijpt uit het proces-verbaal van relaas op pg. 3 dat het bedrijf is gevestigd te [vestigingsplaats] ). Ik werk aldaar als productiemedewerker. De baas van [A] is genaamd [verdachte] . Ik word lastig gevallen door mijn baas [verdachte] . Ik heb [verdachte] al diverse malen gezegd dat ik hier niet van gediend ben.
I.
(BFK: Cranendonck), als productiemedewerker. Haar werkgever was [verdachte] , de verdachte. Uit de aangifte volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode diverse keren de aangeefster tegen haar zin in heeft aangeraakt, waaronder ook haar kruis en billen. De verdachte is handtastelijk geweest terwijl aangeefster diverse malen heeft gezegd dat ze daar niet van gediend was. Daarover heeft de aangeefster consistent verklaard en het hof acht haar verklaringen daarover betrouwbaar. De verdachte heeft ook erkend dat hij aangeefster diverse malen heeft aangeraakt maar heeft dat als knuffelen benoemd.
NJ2018/297 m.nt. Rozemond (onder
NJ2018/298), waar in de toelichting op het middel aan wordt gerefereerd. Uw Raad oordeelde in die zaak als steunbewijs niet voldoende ‘de door het Hof in dit verband telkens in aanmerking genomen aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, en de - niet op specifieke omstandigheden betrekking hebbende - verklaring van de dochter van de verdachte over diens ”dwingende, geen weigering duldende handelwijze”.’ Uit het proces-verbaal van bevindingen van het op de telefoon opgenomen gesprek in de onderhavige zaak kan worden afgeleid dat de verdachte zelf erkent handtastelijk te zijn geweest; de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wijzen daar ook op. [6] Anders dan in het door de stellers van het middel genoemde HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118,
NJ2018/84 m.nt. Reijntjes is niet sprake van een reeks ten laste gelegde feiten waarbij de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Het is evenwel niet zo dat buiten deze situatie geen steun mag worden ontleend aan aanwijzingen dat de verdachte vergelijkbare gedragingen heeft begaan; met annotator Reijntjes meen ik dat het zelfs denkbaar is dat steun wordt ontleend ‘aan vergelijkbaar gedrag dat (nog, of net) niet met de wet in strijd is gekomen’. Die steun wordt in dit geval in verschillende opzichten door het overige bewijsmateriaal geleverd: [getuige 2] verklaart over twee incidenten tussen de verdachte en aangeefster waarbij het tot handtastelijkheden is gekomen; [getuige 1] verklaart over handtastelijkheden jegens haar in een vergelijkbare setting als één van beide bewezen verklaarde feiten, en over handtastelijkheden jegens alle vrouwen die – zoals aangeefster – in het bedrijf van de verdachte werkten. En daarnaast is er dan nog de opname van het gesprek en de verklaring van de verdachte.
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 22b Sr de oplegging van een taakstraf niet toelaat. Daartoe wordt betoogd dat ‘bewezen is verklaard dat verdachte de feiten (mede) heeft begaan voordat art. 22b Sr in werking is getreden’.
derdemiddel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken te laat heeft ingezonden, hetgeen zou dienen te leiden tot strafvermindering.