ECLI:NL:PHR:2013:2435
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in cassatie tegen beschikking inzake inbeslagname in kader Brits rechtshulpverzoek
In deze zaak gaat het om een klaagschrift van klaagster tegen de inbeslagname van voorwerpen op haar woonadres in het kader van een Brits rechtshulpverzoek. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beklag ex art. 552a Sv ongegrond en verleende op vordering van de officier van justitie ex art. 552p Sv verlof tot terbeschikkingstelling van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de Britse autoriteiten.
Klaagster stelde in cassatie dat de doorzoeking en inbeslagname onrechtmatig waren vanwege onvoldoende verband met de verdachten en vanwege disproportionele inbreuk op haar rechten. De Hoge Raad overwoog dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het beroep niet tegen de beschikking ex art. 552p Sv is ingesteld, die onherroepelijk is geworden. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank de doorzoeking en inbeslagname rechtmatig heeft geoordeeld, mede gelet op de gedeelde internetverbinding en het rechtshulpverzoek.
De Hoge Raad benadrukte dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de voorwerpen verzet zolang het beslag nodig is voor de waarheidsvinding in de buitenlandse strafzaak. De klachten over disproportionele inbreuk op het huisrecht en eigendomsrecht konden niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. De Hoge Raad concludeert dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep en verklaart haar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de beschikking inzake inbeslagname.