Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
23 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van betrokkene tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het hof had vastgesteld dat betrokkene in de periode van augustus 2002 tot oktober 2004 medepleegde aan witwassen van in totaal € 923.250, bestaande uit twee bedragen van € 470.000 en € 453.250.
Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewezenverklaring uit de strafzaak en een rapport van 9 oktober 2009. De Hoge Raad oordeelt dat het arrest niet voldoet aan het vereiste dat de schatting van het voordeel slechts mag worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De motivering ontbreekt om de schatting rechtstreeks te verbinden aan concrete bewijsmiddelen.
Verder overweegt de Hoge Raad dat het hof terecht geen rekening hield met belastingheffing over het voordeel en dat het una-via-beginsel niet aan de ontnemingsvordering in de weg staat. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.