Conclusie
Nummer21/02765 P
Het cassatieberoep
Het eerste middel
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep (ambtshalve)
Het beoordelingskader van het eerste middel
“Artikel 410
Artikel 416
:
De beoordeling van het eerste middel
Het tweede en het derde middel
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod op 25 maart 2013, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel op 8 januari 2013, opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel in de periode van 1 november 2012 tot en met 7 januari 2013, diefstal in de periode van 1 november 2012 tot en met 7 januari 2013 en witwassen op 22 november 2013.
€ 629.000,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
dient te worden afgewezen. Het zaaksdossier is in de strafzaak niet ten laste gelegd, omdat de zaak strafrechtelijk niet haalbaar is. Daarnaast dient bij de vraag of sprake is van ‘voldoende aanwijzingen’ of ‘voldoende aannemelijkheid’ behoedzaam met versleutelde berichten verstuurd met een PGP-telefoon te worden omgegaan en kan er met betrekking tot de in de BMW aangetroffen notitie geen link worden gelegd met de betrokkene, aldus de raadsman.
en is voldoende aannemelijk dat de betrokkene hier een bedrag van € 629.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
tegen [betrokkene 3]:“en daar hebben we de man anderhalve ton gepakt”
en“die kotter van hem en zijn broer zijn gewoon van zijn vader en die gaan alleen voor hele grote partijen de deur uit”.
Hieruit moet de conclusie worden getrokken dat de betrokkene het over [betrokkene 1] heeft en dat ze hebben samengewerkt om de desbetreffende partij binnen te halen, waarmee ze ieder een bedrag van € 150.000,00 hebben verdiend.
Ten aanzien van het onderzoek Higgins
€ 63.000 is de opbrengst van [betrokkene 2] bij de verkoop van 7 stuks;
De opbrengst van [betrokkene 2] van 1 stuk zou d[a]n € 9.000 bedragen;
Bij 3 betrokken personen is de totale winst bij de verkoop van één stuk € 27.000.
.
.”
.’’
.”
.””
Het beoordelingskader van het tweede en het derde middel
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
schattingvan de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezen verklaarde delicten en/of de andere delicten. Volgens artikel 511f Sv dient die schatting namelijk wél te zijn gebaseerd op de wettige bewijsmiddelen die zijn opgesomd in artikel 339 Sv Pro. In dat verband dient op grond van artikel 511e lid 1 (eerste aanleg) en 511g lid 2 (hoger beroep) in verbinding met 359 lid 3 Sv de uitspraak van de rechter op straffe van nietigheid de redengevende inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan zijn schatting van het wederrechtelijk voordeel is ontleend. [8] Ook hier geldt echter dat de bewijsminimum- en bewijskrachtregels van artikel 341, 342, 344 en 344a Sv en de bewijsstandaard van artikel 338 Sv Pro niet van toepassing zijn. [9]
presumptions of fact or of law”) [11] en dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het OM en de betrokkene. [12]
De beoordeling van het tweede en het derde middel
en daar hebben we de man anderhalve ton gepakt”, en de berichtenwisseling die op 23 november 2013 plaatsvond tussen [betrokkene 1] en de betrokkene, waaruit volgt dat geldbedragen moesten worden weggelegd voor de politie.
niet‘enkel een PGP-gesprek zonder dat is vastgesteld waarover in dit gesprek wordt gesproken en zonder dat is vastgesteld wanneer een en ander heeft plaatsgevonden en (of het gesprek dus wel in de ontnemingsperiode valt)’.
Het vierde middel
Vervolgprofijt