Conclusie
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep in een woning waar een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het hof Arnhem-Leeuwarden had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €58.122,25, gebaseerd op een financieel rapport dat uitging van 678 planten. De verdediging betwistte echter gemotiveerd het aantal planten en voerde aan dat de kwekerij nog in aanbouw was en er geen planten waren aangetroffen.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de gevolgtrekkingen uit het financieel rapport juist acht, terwijl de verdediging deze uitdrukkelijk betwistte. Het hof volstond met de constatering dat het rapport was gecontroleerd en juist bevonden, maar gaf geen nadere motivering over het geschatte aantal planten. Dit is in strijd met de wettelijke motiveringsplicht bij ontnemingsvorderingen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De rechtbank had eerder de ontnemingsvordering afgewezen wegens onvoldoende bewijs van voordeel, mede omdat er geen planten waren aangetroffen en geen financieel onderzoek was gedaan naar het vermogen van de veroordeelde. De Hoge Raad benadrukt dat de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel moet berusten op wettige bewijsmiddelen en voldoende gemotiveerd moet zijn.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de zaak wordt terugverwezen.