ECLI:NL:HR:2014:2772

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2014
Publicatiedatum
23 september 2014
Zaaknummer
13/05765
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552d SvArt. 116 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking teruggave inbeslaggenomen auto

In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door betrokkene tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland die het klaagschrift van klaagster tot teruggave van een inbeslaggenomen Porsche Panamera aan haar gegrond heeft verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 552d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering tegen deze beschikking geen cassatieberoep openstaat voor betrokkene.

De Hoge Raad stelt vast dat niet is voldaan aan de uitzonderingssituatie waarin de officier van justitie aan de beslagene mededeling heeft gedaan van het voornemen het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven, zoals bedoeld in artikel 116, derde lid, Sv. Ook is betrokkene niet aan te merken als een persoon aan wie een dergelijke mededeling is gedaan. In dergelijke gevallen zou het cassatieberoep wel ontvankelijk zijn.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot een passende beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing, maar de Hoge Raad volgt dit niet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van betrokkene niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de rechtbank tot teruggave van de auto aan klaagster.

De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 23 september 2014, met als voorzitter vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

23 september 2014
Strafkamer
nr. S 13/05765 B
ARA/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 oktober 2013, nummer RK 13/201, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], gevestigd te [plaats].

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door [betrokkene 1]. Namens deze heeft mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het beroep is gericht tegen een beschikking die is gegeven op het klaagschrift van [klaagster], welk klaagschrift strekte tot teruggave van een auto, merk Porsche Panamera, met het kenteken[AA-00-AA] – die onder [betrokkene 1] in beslag was genomen – aan [klaagster]. Bij de bestreden beschikking is het klaagschrift van [klaagster] gegrond verklaard en de teruggave van de auto aan haar gelast. Tegen die beschikking staat voor [betrokkene 1] blijkens art. 552d, tweede lid, Sv geen cassatieberoep open (vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX 5512). In de onderhavige zaak doet zich niet de situatie voor dat de officier van justitie aan de beslagene mededeling heeft gedaan van zijn voornemen het inbeslaggenomen voorwerp met toepassing van art. 116, derde lid, Sv aan hem of aan een ander terug te geven, dan wel de situatie dat de beslagene moet worden beschouwd als een persoon aan wie een zodanige mededeling is gedaan. In dat geval zou, zoals volgt uit HR 3 december 1996, ECLI:NL: HR:1996:ZD0589, NJ 1997/387, HR 20 februari 2007, ECLI:NL: HR:2007:AZ1656 en HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8915 het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking ontvankelijk zijn.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2014.