Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 september 2014.
Hoge Raad
In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door betrokkene tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland die het klaagschrift van klaagster tot teruggave van een inbeslaggenomen Porsche Panamera aan haar gegrond heeft verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 552d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering tegen deze beschikking geen cassatieberoep openstaat voor betrokkene.
De Hoge Raad stelt vast dat niet is voldaan aan de uitzonderingssituatie waarin de officier van justitie aan de beslagene mededeling heeft gedaan van het voornemen het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven, zoals bedoeld in artikel 116, derde lid, Sv. Ook is betrokkene niet aan te merken als een persoon aan wie een dergelijke mededeling is gedaan. In dergelijke gevallen zou het cassatieberoep wel ontvankelijk zijn.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot een passende beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing, maar de Hoge Raad volgt dit niet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van betrokkene niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de rechtbank tot teruggave van de auto aan klaagster.
De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 23 september 2014, met als voorzitter vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard.