In deze zaak gaat het om een snorfiets die onder A in beslag was genomen en waarvan de officier van justitie voornemens was deze terug te geven aan B. A diende een klaagschrift in tegen dit voornemen, waarop de rechtbank het klaagschrift van A gegrond verklaarde en de teruggave aan A gelastte. B, die zelf geen klaagschrift had ingediend maar wel belanghebbende was, stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van B, waarbij centraal stond of het vereist is dat de officier van justitie ook aan de belanghebbende derde (B) mededeling doet van het voornemen tot teruggave. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie boden geen eenduidig antwoord, maar de conclusie was dat een minder formalistische benadering passend is. Het is voldoende dat de officier van justitie de beslagene informeert, waarna de derde tegen een gegrond verklaard klaagschrift van de beslagene cassatieberoep kan instellen.
Daarnaast werd geoordeeld dat B niet tijdig en behoorlijk was opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift, omdat de kennisgeving slechts twee dagen voor de zitting werd verzonden, waardoor B geen redelijke termijn had om zich juridisch te laten bijstaan en zijn standpunt kenbaar te maken. Dit leidde tot vernietiging van de bestreden beschikking door de Hoge Raad.
De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige oproeping en de ontvankelijkheid van derden in cassatieprocedures bij teruggave van inbeslaggenomen goederen, waarbij de belangen van alle betrokkenen worden meegewogen.