Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
30 september 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hoofdelijk aansprakelijkheid werd opgelegd voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €34.651,58. Het hof had geoordeeld dat betrokkene samen met een medeveroordeelde het voordeel had genoten en legde de gezamenlijke betalingsverplichting hoofdelijk op.
De Hoge Raad overwoog dat het zevende lid van artikel 36e Sr, zoals gewijzigd per 1 juli 2011, een wijziging van het sanctierecht inhoudt. Bij toepassing van nieuw recht na het begaan van het feit moet het gunstigste recht worden toegepast. Het nieuwe recht maakt hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk voor het volledige bedrag zonder vaststelling van het deel in het vermogen van betrokkene, hetgeen onder het oude recht niet mogelijk was.
Aangezien de bewezenverklaring van gewoontewitwassen betrekking had op een periode vóór de wetswijziging, kon het nieuwe recht niet als gunstiger worden aangemerkt. Het hof had dit ten onrechte wel toegepast. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening.
De uitspraak benadrukt de zorgvuldigheid die vereist is bij de toepassing van wetswijzigingen in het strafrecht en de bescherming van de betrokkene tegen nadelige terugwerkende kracht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting met toepassing van het juiste recht.