Conclusie
eerste middelklaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden.
tweede middelklaagt, als ik het bezien in samenhang met de toelichting daarop goed begrijp, dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 97.211,18 en de ontnemingsvordering, die op de periode 2004 tot en met 2008 ziet, ten onrechte niet tot het bedrag van € 45.719,65 heeft afgewezen, nu voor dat deel ten tijde van de tenlastegelegde feiten art. 36e, derde lid (oud), Sr van toepassing is en derhalve een SFO (strafrechtelijk financieel onderzoek) vereist is, zulks terwijl in de onderhavige ontnemingszaak tegen de betrokkene niet het dwingend voorgeschreven SFO heeft plaatsgevonden en art. 1, tweede lid, Sr in een dergelijk geval meebrengt dat de voor de betrokkene gunstigste bepalingen worden toegepast. De toelichting op het middel sluit als volgt af: “Het gerechtshof dit in het arrest van 25 juni 2014 ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd verworpen”. In de zin is kennelijk een woord weggevallen, wat het hof hier ten onrechte etc. verworpen zou hebben, is nu niet duidelijk. Op een grondig verweer van de verdediging in dit verband, kan de steller niet het oog hebben gehad; zo een verweer is niet gevoerd op de terechtzitting van het hof van 11 juni 2014.
“De advocaat-generaal rekwireert daarop als volgt.
advocaat-generaalvordert daarop dat het hof de beslissing van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan worden geschat, zal vaststellen op EUR 51.316,53. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van EUR 51.316,53 en legt de op schrift gestelde vordering over.
De raadsvrouwe voert het woord ter verdediging als volgt.
Stb. 2011, 171). Tot aan de datum van inwerkingtreding op 1 juli 2011 luidde art. 36e Sr, voor zover hier relevant, als volgt:
NJ1996/503 oordeelde de Hoge Raad dat onder “verandering in de wetgeving” een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit dient te worden verstaan, een maatstaf die hij vervolgens ook aanlegde in gevallen waarin na het begaan van het feit de toepasselijke regels van het sanctierecht waren gewijzigd in voor de verdachte – mogelijk – gunstige zin. [5] In, kort gezegd, de uitspraak van EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03, ECLI:NL:XX:2009:BK6009 (Scoppola tegen Italië) heeft de Hoge Raad in zijn zogenoemde post-Scoppola arrest aanleiding gezien zijn rechtspraak ten aanzien van veranderingen in regels van sanctierecht aan te scherpen: “Voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, heeft voortaan te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt”. [6] Een dergelijke verandering van het sanctierecht hoeft dan niet te worden getoetst aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten.
nietgeldt voor veranderingen in het sanctierecht. Dat maakt de basis van de beslissing van het hof wankel. In ieder geval is de motivering van het hof daarvoor niet redengevend.
Stb. 1993, 11). Het is een vorm van vooronderzoek toegespitst op beantwoording van de vraag of iemand wederrechtelijk voordeel heeft behaald en – indien die vraag bevestigend wordt beantwoord – wat de omvang van dat voordeel is. Het gaat daarbij onder meer om “de herkomst van aangetroffen vermogensbestanddelen, de weg waarlangs die bij personen zijn beland, de eventuele aanwezigheid van legale bronnen waaruit de aanwezigheid van voorwerpen of middelen kunnen worden verklaard, etc.”. [8] Voordat het SFO werd ingevoerd, vond een financieel onderzoek op de voet van art. 185, eerste lid tweede volzin, (oud) Sv plaats in het kader van een GVO. Dat leverde in eenvoudige gevallen geen probleem op, ook al was het GVO ingericht voor de strafvervolging van een verdachte van een strafbaar feit. De internationalisering en de toenemende complexiteit van strafzaken met alle financiële facetten daarvan, en de tijdrovende rechtshulpverzoeken in dat verband, bleken echter steeds vaker in de weg te staan aan een spoedige afronding van het GVO (en een berechting binnen een aanvaardbare termijn). Als gevolg van deze ontwikkelingen dreigde in de praktijk een financieel onderzoek vroegtijdig te worden gestopt of in het geheel achterwege te worden gelaten. [9] Om aan de toepasselijkheid van de ontnemingsmaatregel een reële inhoud te kunnen geven, werd het SFO geïntroduceerd. Met een separaat SFO zouden gecompliceerde en moeilijk toegankelijke financiële situaties kunnen worden ontrafeld en blootgelegd, eventueel na informatie uit het buitenland, zonder dat dit ten koste ging van een snelle afronding van het voortaan daarvan afgescheiden GVO. [10]
Stb. 2011, 171). Belangrijk onderdeel van deze wet is de wijziging van art. 36e, derde lid (oud), Sr. Naast de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden aangaande de herkomst van het vermogen van de betrokkene, is dus de verplichting tot het instellen van een SFO bij de toepassing van art. 36e, derde lid, Sr komen te vervallen. Sindsdien heeft het SFO een facultatief karakter, het kan onder de in art. 126 Sv Pro genoemde voorwaarden worden ingesteld “indien zodanig onderzoek naar verwachting zal bijdragen aan het zicht op de vermogenspositie van de verdachte of de veroordeelde”. [15] De Nota naar aanleiding van het Eindverslag zegt daarover het volgende:
derde middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
“5.1 De berekening en de motivering van de schatting
€ 97.036,18.”