Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de betrokkene geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet daarvan de geheel in de hoofdzaak toegewezen vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 15.493,09 heeft afgetrokken, maar alleen de kosten die verband houden met de in de hoofdzaak onder 2 bewezenverklaarde diefstal van elektriciteit ad € 5.093,09.
derde middelen het
vierde middelklagen over het oordeel van het Hof dat de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag. Volgens het derde middel heeft het Hof daarmee in strijd gehandeld met art. 1, tweede lid, Sr en art. 7 EVRM Pro omdat de feiten waaruit volgens het Hof wederrechtelijk voordeel is genoten gepleegd zijn voordat de mogelijkheid van hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in art. 36e, zevende lid, Sr werd ingevoerd. Het vierde middel wil de opvatting verdedigen dat de zinsnede “feiten die door twee of meer personen” in dat zevende lid aldus dient te worden begrepen dat er voor deze twee of meer personen ook een veroordelend vonnis bestaat. De stelling is dat, mede gelet op het civielrecht, het hoofdelijk opleggen van een ontnemingsmaatregel slechts kan indien er meer veroordeelden (schuldenaren) zijn die hoofdelijk worden veroordeeld. De eerste klacht luidt dat het bestreden oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Voorts behelst het vierde middel de klacht dat dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd nu de betrokkene, in weerwil van hetgeen het Hof daaromtrent heeft opgemerkt, wél openheid van zaken heeft gegeven. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Stb. 171 als volgt komen te luiden:
personenis gepleegd. Van veroordeelden of een veroordeling wordt niet gesproken. In de toelichting op het middel wordt evenwel verwezen naar het amendement-Van Haersma Buma en Teeven van 15 april 2010. Op grond van dit amendement [3] is het zevende lid ingevoerd bij de eerder genoemde Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming van 31 maart 2011 ten einde een aanzienlijke bewijsvereenvoudiging voor het OM en de rechter mogelijk te maken wanneer niet of zeer moeilijk kan worden aangetoond wie onder de daders welk deel van de buit tot zijn beschikking heeft. [4] In de toelichting van het middel wordt ter onderbouwing van de onderhavige klacht de navolgende passages uit de toelichting op het amendement aangehaald: [5]
en die personen voor die feiten zijn veroordeeld (cursivering, AG), bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.”
onbekende(cursivering, AG)
,daders”. Dat betekent dat het kennelijke oordeel van het Hof dat geen sprake hoeft te zijn van meer veroordeelden geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de eerste klacht van het vierde middel faalt. [9]