ECLI:NL:HR:2014:3417

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2014
Publicatiedatum
25 november 2014
Zaaknummer
13/05614
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 511g SvArt. 6 EVRMArt. 6 Europees Sociaal Handvest
Verwijzingen
6 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens ontoereikende motivering afwijzing verzoek aanhouding zaak door staking advocaat

De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €18.447,22 en in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kort voor de zitting deed de raadsvrouw van betrokkene een verzoek tot aanhouding van de behandeling vanwege haar deelname aan een landelijke staking van strafrechtadvocaten, waarbij zij zich beriep op het stakingsrecht en het recht van betrokkene op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze.

Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak en de organisatie van de rechtspleging zwaarder wegen dan het belang van de raadsman om te staken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet alle belangen, waaronder het recht van betrokkene op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze, heeft meegewogen in zijn beslissing.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt dat de motivering van het hof ontoereikend is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en afdoening, waarbij het hof een volledige belangenafweging moet maken.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij verzoeken tot aanhouding en het beschermen van het recht op adequate rechtsbijstand, ook in het kader van stakingen van advocaten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens ontoereikende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

25 november 2014
Strafkamer
nr. S 13/05614 P
CeH/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2013, nummer 21/006339-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2.
Bij de bestreden uitspraak is de betrokkene op de voet van art. 416, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. In eerste aanleg is aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 18.447,22.
2.3.
Het procesverloop is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7. Daaruit blijkt in het bijzonder dat door de raadsvrouwe van de betrokkene enige dagen vóór de terechtzitting een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak is gedaan vanwege haar deelname aan een landelijke staking van strafrechtadvocaten, en voorts dat aan dat verzoek het in art. 6, aanhef en vierde lid, Europees Sociaal Handvest neergelegde stakingsrecht ten grondslag is gelegd alsmede het aan een betrokkene in art. 6, derde lid onder c, EVRM toegekende recht zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze.
2.4.
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Verzoek tot aanhouding
De raadsvrouw heeft het hof voorafgaand aan de zitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met een staking van de strafrechtadvocatuur. Deze staking is een reactie op de aangekondigde bezuinigingsvoorstellen van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding omdat zij de aangekondigde staking steunt.
Dit verzoek is op voorhand door het hof niet toegewezen. De raadsvrouw is van deze beslissing op de hoogte gesteld en haar is medegedeeld dat het verzoek ter zitting kan worden herhaald. De raadsvrouw en de veroordeelde zijn niet ter zitting verschenen.
Bij de beoordeling van het verzoek tot aanhouding moet het hof alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen, waaronder de belangen van de veroordeelde en de samenleving bij een voortvarende berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Het hof is van oordeel dat die belangen moeten prevaleren boven het belang van een advocaat om te staken. Het hof wijst het verzoek daarom af."
2.5.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de betrokkene bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de betrokkene maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294).
2.6.
Uit de motivering door het Hof van de afwijziging van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt. Het Hof heeft kennelijk alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, terwijl het niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van de betrokkene op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ontoereikend gemotiveerd.
2.7.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 november 2014.