Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing heeft genomen op het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
“Onderzoek van de zaak
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
BESLISSING
NJ2007/454: redelijke wetstoepassing brengt mee “dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen.” [7] In deze zaak was ter terechtzitting van het hof noch de verdachte noch zijn raadsvrouw verschenen en had de raadsvrouw een week voor de terechtzitting om aanhouding gevraagd omdat zij verhinderd was ter terechtzitting te verschijnen om haar cliënt bij te staan. Omdat het proces-verbaal van de terechtzitting geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing inhield omtrent het verzoek van de gemachtigde raadsvrouw tot uitstel van de behandeling, had zulks, naar uit het samenstel van de toepasselijke wettelijke bepalingen volgt, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.
NJ2007/454 relevantie mist omdat de verdachte in de onderhavige zaak wel aanwezig is.” Hoe de Hoge Raad over deze toevoeging dacht, is onbekend gebleven nu hij het middel (evenals de andere) met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering afdeed.
NJ2011/142 m. nt. Schalken herhaaldelijk om aanhouding verzocht omdat een korte vakantie aan zijn aanwezigheid in de weg stond en de verdachte door hem wilde worden bijgestaan. Het verzoek was door het hof afgewezen, maar volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd omdat in het verzoek tot uitdrukking was gebracht dat de verdachte zich overeenkomstig zijn in art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM toegekende recht wilde doen bijstaan door de advocaat van zijn keuze en dat was de verhinderde raadsman. De vraag of de verdachte zelf had kunnen verschijnen en zo zijn aanwezigheidsrecht had kunnen uitoefenen, bleef buiten bespreking. En in dezelfde zin HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6570. Zowel de verdachte als zijn raadsvrouw was niet op de terechtzitting van het hof verschenen. De raadsvrouw had herhaaldelijk verzocht om aanhouding van behandeling van de zaak vanwege redenen die in haar persoonlijke levenssfeer waren verschenen en omdat haar kantoorgenoot wegens andere werkzaamheden niet in de mogelijkheid verkeerde de zaak van haar over te nemen. Mijn ambtgenoot Knigge wierp eerst de vraag op of het hof gelet op de hoofdregel en de wettelijke en jurisprudentiële uitzondering (als hierboven in de randnummers 12 en 13 genoemd) was gehouden op het aanhoudingsverzoek te reageren. Hij kwam tot een bevestigend antwoord, nu de meest voor de hand liggende conclusie die uit HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453 kan worden getrokken “is dat de analoge toepassing van art. 278 lid 3 Sv Pro zich niet beperkt tot gevallen waarin het aanhoudingsverzoek wordt gedaan door een raadsman die verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn en tevens dat het verzoek ook een gemotiveerde weerlegging vereist als het zijn grond niet vindt in het aanwezigheidsrecht van de verdachte, maar in diens recht op rechtsbijstand”. Van de juistheid van deze conclusie ga ik uit, nu de Hoge Raad op grond van een motiveringsgebrek casseerde en daarbij in aanmerking nam hetgeen de raadsvrouw (herhaaldelijk) aan haar verzoek ten grondslag had gelegd, te weten “dat zij verhinderd was, dat de verdachte zich door haar wilde doen bijstaan en dat vervanging door een kantoorgenoot niet mogelijk was”. De arresten die de Hoge Raad wees naar aanleiding van aanhoudingsverzoeken die samenhingen met een landelijke staking van strafrechtadvocaten op 11 november 2013 bevestigen dat beeld. [8]
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
NJ2010/102 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen in belangrijke mate verruimd. Ten eerste kan een daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de voet van art. 450, derde lid, Sv een rechtsmiddel aanwenden door verlening van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker. Zo’n schriftelijke volmacht kan door middel van een (al dan niet aangetekend verstuurde) brief of een fax aan de griffie worden aangeboden. En ten tweede heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654,
NJ2017/119 m.nt. Keulen ook voeging van de schriftelijke volmacht als bijlage bij een e-mailbericht onder bepaalde voorwaarden aanvaard. Het mag (inmiddels) als bekend worden verondersteld dat voor zover in de dagelijkse strafrechtspraktijk gerechten het instellen van rechtsmiddelen door middel van per e-mail verstrekte volmachten faciliteren, telkens als bijlage een schriftelijke en ondertekende volmacht van de advocaat aan een griffiemedewerker dient te worden bijgevoegd, waarin de griffiemedewerker aldus gemachtigd wordt namens de verdachte een rechtsmiddel aan te wenden. [12]
NJ2015/473. In die zaak kon aan de ontvankelijkheid in cassatie van de verdachte worden getwijfeld, omdat een administratief ambtenaar van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden cassatieberoep had ingesteld nadat deze daartoe was gemachtigd door middel van een per e-mail verstrekte bijzondere volmacht van de raadsman van de betrokkene. De Hoge Raad oordeelde het cassatieberoep niettemin ontvankelijk onder verwijzing naar de in mijn conclusie bij het arrest vermelde gronden. Deze conclusie hield ter zake onder meer in:
kunnenzijn van een min of meer soortgelijke situatie als in het arrest van 10 november 2015 en daartoe de volgende omstandigheden van belang kunnen zijn: (i) de raadsvrouw heeft reeds op de dag dat de appeltermijn aanving per e-mail contact gehad met de griffie en nadien nog een fax gestuurd, (ii) niet blijkt dat de raadsvrouw door de griffiemedewerkster is gewezen op de gebreken die aan de instelling van het hoger beroep kleefden en/of in de gelegenheid is gesteld die gebreken te herstellen en (iii) de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in appel moet aldus worden begrepen dat hij in zijn hoger beroep wenste te worden ontvangen.
NJ2015/473 en HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654,
NJ2017/119 – om de vraag of de verdachte ontvankelijk kan worden geacht in het cassatieberoep. Dat is een wezenlijk verschil. Of in de onderhavige zaak daadwerkelijk ambtelijke informatie is verstrekt waardoor de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de verdachte door de gevolgde handelwijze rechtsgeldig hoger beroep had ingesteld, kan in cassatie niet worden getoetst. Voor een beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de hand van nieuwe gegevens van feitelijke aard is in de cassatiefase immers geen plaats. [14] Dat ligt anders in situaties als die waarop de aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 10 november 2015 en 22 november 2016 zien. In die zaken ging het om de wijze waarop het cassatieberoep was ingesteld. Over alle feitelijkheden die zich voordoen nadat de bestreden uitspraak is gewezen en in “de voorhof van de cassatieprocedure” liggen, oordeelt de Hoge Raad als feitenrechter. [15] De voor de vraag of het cassatieberoep correct en tijdig is ingesteld relevante feiten, stelt de Hoge Raad dan dus zelf vast. De feitelijkheden die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep dienen evenwel in appel te berde te worden gebracht. De enkele stelling dat onjuiste ambtelijke informatie heeft geleid tot het op onjuiste wijze instellen van het hoger beroep, kan derhalve niet met succes voor het eerst in cassatie worden betrokken. Dat onderstreept nog eens het belang waarop ik in mijn bespreking bij het eerste middel heb gewezen, te weten dat dit punt op de terechtzitting van de feitenrechter door een rechtskundig raadsman naar voren wordt gebracht. Nu echter het hof over de stelling dat aan de voormalige raadsvrouw van de verdachte ambtelijke informatie is verstrekt niets heeft kunnen vaststellen, ontbeert het tweede middel feitelijke grondslag.