Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op 24 augustus 2012. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf op, omdat het oordeelde dat een taakstraf niet mogelijk was vanwege een eerdere taakstraf van 80 uur opgelegd door het hof Arnhem op 29 maart 2011.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 22b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, zo moet worden uitgelegd dat een taakstraf niet kan worden opgelegd indien in de vijf jaren voorafgaand aan het nieuwe feit een soortgelijke taakstraf is opgelegd en daadwerkelijk is verricht of de vervangende hechtenis is bevolen. Cruciaal is dat de eerdere straf ten tijde van het nieuwe feit kracht van gewijsde moet hebben gehad.
In deze zaak was het eerdere arrest pas op 12 maart 2013 onherroepelijk, dus na het plegen van het nieuwe feit in augustus 2012. Daarom was het oordeel van het hof dat geen taakstraf kon worden opgelegd onjuist. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor nieuwe beoordeling.
De zaak benadrukt het belang van de onherroepelijkheid van eerdere strafopleggingen bij recidive en taakstraffen, en verduidelijkt de toepassing van artikel 22b Sr in samenhang met de wetsgeschiedenis en de memorie van toelichting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.