Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(c)baten uit hoofde van het arrest van 10 juli 2012 van het hof Leeuwarden in de zaak [verzoeker]/[A] c.s.
(c)dan ook afgewezen.
(c)) zoals die vordering is vastgesteld bij het arrest van het hof Leeuwarden van 10 juli 2012. [14]
primairop het standpunt dat sprake is van nagekomen baten in de zin van art. 356 lid 4 jo Pro 194 Fw. Dit betreft – voor zover in cassatie van belang [15] – vorderingen uit onverschuldigde betaling die reeds zijn ontstaan ten tijde van de – naar bij arrest van 10 juli 2012 in rechte is komen vast te staan – onverschuldigde betalingen in de periode 2006-2008 ad in totaal € 22.264,34. [16] Deze vorderingen zijn derhalve ontstaan vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling en vallen in de boedel (art. 295 Fw Pro). Zij zijn echter aan te merken als onbekende baten, omdat op het moment van eindigen van de schuldsaneringstermijn (11 mei 2012) noch het bestaan noch de hoogte ervan onherroepelijk in rechte vaststond. De baten zijn eerst bekend geworden met het in kracht van gewijsde gaan, per 10 oktober 2012, van het arrest van het hof. Voorts is de in appel bestreden beschikking van de rechtbank in strijd met haar beschikking van 18 juli 2012, aldus de bewindvoerder. [17] Subsidiairstelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat vrije beschikking van [verzoeker] over de vordering op [A] c.s. een ongerechtvaardigde verrijking van [verzoeker] zou meebrengen, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [18]
2.Beoordeling van de wijze waarop de procedure in cassatie is ingeleid
3.Beoordeling van het cassatieberoep
betalingis verricht. Volgens [verzoeker] is dit oordeel in strijd met het arrest HR 30 januari 2004, NJ 2005/246, waarin zou zijn geoordeeld dat een vordering uit onverschuldigde betaling in de zin van art. 6:203 lid 3 BW Pro ontstaat op het moment dat in hoger beroep de rechtsgrond ontvalt aan de nakoming van het vonnis in eerste aanleg, hetgeen volgens [verzoeker] ook geldt voor een vordering als bedoeld in lid 2 van die bepaling. Het hof heeft derhalve miskend dat de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan op het moment van het definitieve
arrestvan het hof in de procedure tussen [verzoeker] en [A] c.s. Nu dit moment is gelegen na afloop van de wettelijke schuldsaneringstermijn van drie jaar, heeft het hof voorts ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een nagekomen bate die nog in de wettelijke schuldsanering moet worden betrokken, aldus het middel.
(c)“uit hoofde van het arrest van 10 juli 2012” (aldus het inleidend verzoekschrift), respectievelijk de “vordering op [A] c.s. (nagekomen bate onder
(c)) zoals die vordering is vastgesteld bij het arrest van 10 juli 2012” (aldus het beroepschrift). In bedoeld arrest heeft het hof, als vermeld, het vonnis van 13 augustus 2008 vernietigd en [A] c.s. veroordeeld – voor zover hier relevant [29] – “terug te betalen hetgeen hij ter voldoening aan het tegen hem gewezen vonnis in eerste aanleg heeft betaald, vermeerderd met de over dat bedrag verschenen rente vanaf de dag der voldoening aan dat vonnis.”
en” is ontvallen (rov. 3.6, eerste volzin) en dat “de betaling
en” hebben plaatsgevonden in de periode voordat de schuldsaneringsregeling van toepassing was (rov. 3.7, eerste volzin). Anderzijds rept het hof maar over één vordering/verbintenis uit onverschuldigde betaling (rov. 3.4, 3.6 en 3.7). Het is m.i. een kwestie van uitleg of de betaling in 2006 geacht moet worden begrepen te zijn onder het petitum in appel en, mede in het verlengde daarvan, het bevel van het hof aan de bewindvoerder om over te gaan tot vereffening en verdeling van “de nagekomen bate uit hoofde van het arrest van 10 juli 2010”, in welk arrest, als gezegd, [A] c.s. werden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [verzoeker] “ter voldoening aan het tegen hem gewezen vonnis in eerste aanleg heeft betaald”. Deze kwestie valt echter buiten het bestek van deze conclusie.
“verborgen gebleven baten”waarop het faillissementsbeslag is blijven rusten (vgl. art. 193 Fw Pro) en ten aanzien waarvan de te vroeg als afgelopen beschouwde vereffening van de failliete boedel voor zoveel nodig weer wordt opgevat. Afgifte van het daartoe strekkende bevel kan worden verzocht door schuldeisers, de curator, de voormalig rechter-commissaris en de schuldenaar. [50]
verbindendworden van de slotuitdelingslijst [70] , maar dat in de beschikking van Uw Raad van 29 maart 2013 wordt uitgegaan van een bevoegdheid tot het innen van baten voor de boedel tot het moment van het “
opmaken”respectievelijk “
opstellen” – waaronder ik begrijp: ter griffie deponeren – van de slotuitdelingslijst. [71] Dit betekent dat het zich kan voordoen dat een bate eerst ‘bekend’ c.q. vereffenbaar is geworden nadat de slotuitdelingslijst is opgemaakt/gedeponeerd maar voordat deze verbindend is geworden. Uit de beschikking van 29 maart 2013 leid ik af dat de bewindvoerder in dat geval niet gehouden is de bate alsnog te vereffenen en, zo dit überhaupt al voor mogelijk moet worden gehouden, de gedeponeerde uitdelingslijst te herroepen. [72] Het moet dan mogelijk zijn de inmiddels als ‘bekend’ aan te merken bate te vereffenen op de voet van art. 194 Fw Pro. Voor deze benadering valt steun te vinden in de hiervoor onder 3.23 vermelde rechtspraak.
middel IIIgeen doel.