Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 27 juni 2013, nr. 12/00461, betreffende een verzoek tot herziening van de uitspraak van dat Hof van 5 maart 2010, nr. 08/00563.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2013, betreffende een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van dat hof van 5 maart 2010.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. De Hoge Raad beoordeelde de middelen en kwam tot het oordeel dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet nodig, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2014 door raadsheer C. Schaap als voorzitter, met raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.