Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
11 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over de toepassing van art. 36e Sr inzake profijtontneming. De veroordeelde werd geconfronteerd met een ontnemingsvordering naar aanleiding van een diefstal van een kluis met €40.000,- contant geld.
Het hof had bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts een deel van de vorderingen van benadeelde derden in mindering gebracht, namelijk €4.000,- materiële schade die correspondeert met het voordeel van de veroordeelde. Vorderingen voor overige materiële en immateriële schade werden niet in mindering gebracht omdat geen corresponderend voordeel aanwezig was.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen die vorderingen in mindering mogen worden gebracht die een corresponderend voordeel voor de veroordeelde weerspiegelen. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2000:AA5438). Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en berust op een juiste rechtsopvatting. Het cassatieberoep wordt verworpen.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 36e Sr en benadrukt de noodzaak van een causaal verband tussen de schade van de benadeelde en het voordeel van de veroordeelde voor mindering bij profijtontneming.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat alleen materiële schade met corresponderend voordeel in mindering komt op het wederrechtelijk verkregen voordeel.