De betrokkene werd door het Hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot betaling van €17.219,09 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij. Deze ontnemingszaak hing samen met strafzaken waarin de betrokkene werd veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en diefstal.
De politierechter had in een onherroepelijk vonnis een schadevergoeding van €5.399,78 en proceskosten van €260,- toegekend aan de benadeelde partij Enexis B.V. wegens materiële schade door diefstal van energie. Het hof had deze vordering en kosten niet in mindering gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 36e, achtste lid, Sr (oud) de onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen die materiële schade betreffen in mindering moeten worden gebracht om dubbele terugvordering te voorkomen. Het hof had dit moeten doen, ook al was hierover in hoger beroep geen verweer gevoerd.
De Hoge Raad vermindert daarom het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting tot €11.559,31 en wijst het cassatieberoep af voor het overige. Hiermee wordt het verzuim van het hof hersteld zonder de uitspraak geheel te vernietigen.