Belanghebbende, een toegelaten AWBZ-thuiszorginstelling, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de vrijstelling van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, aanhef en letter c, ten eerste, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Rechtbank had de aanslagen deels vernietigd, het Hof had de aanslagen voor 2004 en 2005 verminderd tot nihil en geoordeeld dat belanghebbende aan de vrijstelling voldeed.
De Hoge Raad stelt vast dat belanghebbende zelf geen genezing, verpleging of verzorging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen verricht, maar deze zorg wordt geleverd door zelfstandigen zonder personeel via regionale steunpunten die onafhankelijk zijn van belanghebbende. Hierdoor voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde dat de zorginstelling zich rechtstreeks verplicht tot het verlenen van zorg aan zorgvragers.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, met inachtneming van het oordeel dat de vrijstelling niet van toepassing is. Tevens dient onderzocht te worden of sprake is van door de Inspecteur gewekt vertrouwen dat belanghebbende niet belastingplichtig zou zijn. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.