Uitspraak
[X 1] B.V., Maatschap [X 2] en Stichting [X 3],te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 26 april 2012, nr. 10/00792, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, bestaande uit een BV, een maatschap en een stichting, was betrokken bij de exploitatie van een prostitutiebedrijf in een pand te Amsterdam. Over de periode 2003-2004 werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, die na bezwaar en diverse gerechtelijke procedures leidde tot een uitspraak van het Hof Amsterdam dat de drie entiteiten gezamenlijk als één ondernemer moesten worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt vast dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de onderlinge rechtsbetrekkingen tussen de BV, de maatschap en de stichting zodanig waren dat zij gezamenlijk als één ondernemer optraden. Het Hof had onvoldoende duidelijkheid verschaft over welke leveringen en diensten gezamenlijk werden verricht en hoe de economische activiteiten feitelijk waren georganiseerd.
De Hoge Raad benadrukt dat voor de kwalificatie als één ondernemer niet slechts samenwerking en gezamenlijke exploitatie volstaan, maar dat de rechtsbetrekkingen en het optreden naar buiten toe als één entiteit doorslaggevend zijn. Het arrest vernietigt het vonnis van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor een volledige herbeoordeling.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Deze uitspraak verduidelijkt het criterium van feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid en het belang van een gedegen motivering bij de beoordeling van gezamenlijke ondernemerschap in de omzetbelasting.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Amsterdam en verwijst zaak naar Hof Den Haag voor nader onderzoek naar gezamenlijk ondernemerschap.