ECLI:NL:HR:2015:198

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
13/02560
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 159 WVW 1994Art. 160 WVW 1994Art. 177 WVW 1994Art. 178 WVW 1994
Verwijzingen
16 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste kwalificatie bevel niet opvolgen volgens art. 184 Sr

De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens art. 160 Wegenverkeerswet Pro 1994 (WVW 1994). Het hof kwalificeerde dit als een overtreding van art. 184, eerste lid, Sr, dat strafbaar stelt het niet opvolgen van een bevel of vordering gegeven krachtens wettelijk voorschrift door een bevoegde ambtenaar.

De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat het wettelijk voorschrift waarop art. 184 Sr Pro steunt, uitdrukkelijk moet inhouden dat de ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of vordering. Art. 160 WVW Pro 1994 bevat wel verplichtingen voor de bestuurder, maar verleent niet uitdrukkelijk een bevelsbevoegdheid aan de ambtenaar. Het hof heeft daarom een onjuiste rechtsopvatting gehuldigd door het bevel tot stilhouden te kwalificeren als een bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van art. 184 Sr Pro.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Hiermee wordt verduidelijkt dat niet elk bevel van een toezichthouder automatisch onder art. 184 Sr Pro valt, maar dat de wettelijke grondslag voor de bevelsbevoegdheid expliciet moet zijn. Dit arrest bevestigt de noodzaak van een duidelijke wettelijke basis voor strafrechtelijke vervolging op grond van art. 184 Sr Pro.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

3 februari 2015
Strafkamer
nr. 13/02560
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 april 2013, nummer 21/000388-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als een overtreding van art. 184, eerste lid, Sr.
2.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 2 oktober 2010 te Zeist opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel krachtens artikel 160 Wegenverkeerswet Pro, gedaan door [verbalisant], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen zijn motorrijtuig te doen stilhouden, geen gevolg gegeven aan dit bevel."
2.2.2.
Het Hof heeft onder aanhaling van art. 184 Sr Pro het bewezenverklaarde onder 1 gekwalificeerd als "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast".
2.3.
De hier toepasselijke bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt:
- art. 184, eerste lid, Sr:
"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."
- art. 159 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):
"Met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen.
(...)"
- art. 160, eerste lid, WVW 1994:
"Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde Pro personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
(...)"
- art. 177 WVW Pro 1994:
"1. Overtreding van:
a. de artikelen (...), 160, (...)
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
(...)"
- art. 178, tweede lid, WVW 1994:
"De in artikel 177 strafbaar Pro gestelde feiten zijn overtredingen."
2.4.1.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 184, eerste lid, Sr. Deze bepaling, die een algemene strafbaarstelling als misdrijf behelst voor uiteenlopende gevallen van niet-naleving van bevelen of vorderingen, eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gegeven bevel of gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering (vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008/206).
Aan een algemeen taakstellend voorschrift, zoals art. 3 Politiewet Pro 2012, zal zodanige uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid niet kunnen worden ontleend, terwijl een wettelijk voorschrift waarin uitsluitend een verplichting of gebod wordt geformuleerd te voldoen aan een bevel of vordering van de betreffende ambtenaar doorgaans niet een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid zal inhouden. In dergelijke gevallen voorziet de wet bovendien veelal in strafbaarstelling van handelen in strijd met een op dat voorschrift gebaseerde verplichting of gebod.
Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr Pro, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639). In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr Pro, maar op overtreding van een APV.
2.4.2.
Blijkens de bewezenverklaring heeft het Hof geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaren gegeven bevel het motorrijtuig te doen stilhouden een krachtens art. 160, eerste lid, WVW 1994 gedane vordering is, die heeft te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184, eerste lid, Sr.
Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160, eerste lid, WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder - waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld - en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering.
2.4.3.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van het vierde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste en het derde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2015.