Conclusie
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 6 april 2019 van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, Basis team Maas-Rotte met nr. PL1700-2019093149-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5):
Een proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 29 maart 2019 van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, Districtsrecherche Rijnmond-Oost met nr. PL1700-2019093149-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10):
De verklaring van de getuige [betrokkene 1] .
doen stilhoudenvan een motorrijtuig (alsmede de genoemde bewijzen behoorlijk ter inzage te geven). Het doen stilhouden moet verband houden met de naleving van een bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschrift. [3] De in art. 159 WVW Pro 1994 aangewezen personen zijn bevoegd een bevel te geven ter bescherming van de bij het verkeer betrokken belangen (art. 160, zevende lid (oud); thans zesde lid). De bestuurder van een voertuig die door zo een bevoegde persoon in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift, is verplicht het bevel op te volgen.
NJ2008/206, m.nt. Mevis vaste rechtspraak dat een dergelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Bepalingen met enkel een algemene taakomschrijving voor de politie, zoals art. 3 Politiewet Pro 2012 (voorheen art. 2 Politiewet Pro 1993 oud), kunnen doorgaans niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. [5] Een APV-bepaling die alleen ziet op een verplichting voor de burger om mee te werken aan een bevel van een opsporingsambtenaar, doch daarnaast geen uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid voor deze ambtenaar inhoudt, voldoet volgens de Hoge Raad evenmin aan het vereiste van uitdrukkelijkheid. [6]
NJ2015/172 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199,
NJ2015/173, m.nt. Borgers was overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk niet had voldaan aan een bevel krachtens art. 160, eerste lid, (oud) WWV 1994. In beide zaken ging het om een bestuurder van een voertuig die een door politieambtenaren gegeven stopbevel negeerde. Onder aanhaling van art. 184 Sr Pro waren de bewezenverklaarde feiten door het hof gekwalificeerd als “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”. Volgens de Hoge Raad gaf het oordeel van het hof in elk van beide zaken, inhoudend dat de op grond van art. 160, eerste lid, (oud) WVW 1994 gedane vordering had te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184, eerste lid, Sr, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe nam de Hoge Raad in aanmerking dat “art. 160, eerste lid, WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder – waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177, eerste lid onder a, [7] in verbinding met art. 178, tweede lid) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld – en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering”.
eerste lid, (oud) WVW 1994. In het arrest ligt echter niet besloten dat – naar het oordeel van het hof – de betrokken politieambtenaren een bevel hebben gegeven het motorrijtuig te doen stilhouden, en evenmin ligt in het arrest als ’s hofs oordeel besloten dat de verdachte – kort gezegd – niet heeft voldaan aan een door die politieambtenaren gegeven stopbevel. Integendeel. Het hof heeft juist bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens art. 160, zevende lid, (oud) WVW gedane vordering om de Bosdreef
te verlaten. Blijkens het eerste bewijsmiddel was onder anderen de verdachte gevorderd om die plek te verlaten omdat daar het verkeer ernstig gehinderd werd en er een gevaarlijke situatie ontstond, kortom teneinde de bij het verkeer betrokken belangen ter plaatse te beschermen.
Strafbaarheid van de verdachte
NJ2004/675 en HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:827, r.o. 2.3, NJB 2017/1129).