Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal van een aanhangwagen in de periode van 26 tot 27 januari 2012 te Markelo. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van aangifte, getuigenverklaringen van een BOA en politieverbalisanten, en de omstandigheden waaronder verdachte werd aangetroffen met de aanhangwagen.
Verdachte voerde in cassatie aan dat het hof niet met voldoende nauwkeurigheid de wettige bewijsmiddelen had aangegeven voor alle redengevende feiten en omstandigheden. De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie en stelt dat hoewel niet alle feiten expliciet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de stukken voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat het hof deze feiten heeft ontleend aan de juiste bewijsmiddelen.
Daarnaast klaagde verdachte dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer het daderschap kon worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelt dat het enkele voorhanden hebben van de aanhangwagen niet automatisch daderschap bewijst, maar in dit geval het hof op basis van de feiten en omstandigheden terecht heeft geoordeeld dat verdachte de aanhangwagen heeft gestolen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 3 februari 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.