Conclusie
middelricht zich tegen de motivering van het onder 1. bewezen verklaarde feit.
(hof: de medeverdachte)en als bestuurder de verdachte [verdachte] . In de auto zijn -voor zover hier van belang- de volgende voorwerpen aangetroffen (p.31/32):
(hof: op 4 juli 2014)om 19:08 uur een Volkswagen Golf met kenteken [BB-00-BB] met daarin de verdachte als bestuurder en de medeverdachte als bijrijder de parkeergarage inrijdt. De medeverdachte [betrokkene 3] draagt een trainingjasje, wit van kleur met oranje aan de bovenkant. Om 19:34:50 uur rijden de verdachte en medeverdachte de parkeergarage weer uit;
NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905,
NJ 2004/443).
NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr Pro kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde ‘in vereniging plegen’ van geweld eist dat de verdachte ‘een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld’ heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
NJ 2013/407).
NJ 2010/193waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen ‘dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn’, alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling ‘dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt’.
NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505,
NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.”
middelfaalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Toepassing van art. 80a RO laat zich denken.