Verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens mishandeling en tot betaling van een schadevergoeding van €3.508,04 aan de benadeelde partij. De Hoge Raad behandelt twee middelen van cassatie: de motivering van de bewezenverklaring en de toewijzing van de schadevergoeding.
Het eerste middel klaagt over onvoldoende motivering van het bewijs, met name over het gebruik van een getuigenverklaring die niet expliciet in het bewijsregister is opgenomen. De Hoge Raad oordeelt dat deze verklaring wel degelijk onderdeel uitmaakt van het dossier en dat verdachte geen belang heeft bij de klacht, zodat het middel faalt.
Het tweede middel betreft de schadevergoeding. De Hoge Raad bevestigt dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep voortduurt binnen de grenzen van de in eerste aanleg toegewezen bedragen. Hoewel het hof het bedrag uitsluitend toewijst als materiële schade, leidt dit niet tot cassatie omdat het hof waarschijnlijk ook immateriële schade heeft bedoeld te vergoeden. Daarnaast is de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van het strafbare feit terecht toegewezen, ook al is de schade deels later ontstaan. Het cassatieberoep wordt verworpen.