Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens ontucht gepleegd met een vrouw die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd. De feiten vonden plaats in de periode mei tot september 2010, waarbij de verdachte, werkzaam als medium, paragnost, hypnotiseur en mental coach, misbruik maakte van het vertrouwen van het slachtoffer. Het hof veroordeelde hem tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van vijf jaar, waarbij een bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat hij gedurende die proeftijd geen zorg of diensten aan vrouwen mocht verlenen in zijn hoedanigheid als medium of soortgelijke functies.
De verdachte stelde in cassatie dat deze bijzondere voorwaarde te vaag zou zijn en daardoor ontoelaatbaar. De Hoge Raad oordeelde dat de voorwaarde duidelijk betrekking heeft op het gedrag van de veroordeelde en streeft naar het bevorderen van goed levensgedrag. Gezien de publieke profilering van de verdachte in genoemde hoedanigheden en de aard van de werkzaamheden is de voorwaarde niet zodanig vaag dat naleving redelijkerwijs onmogelijk is.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De strafoplegging wordt terugverwezen voor herbeoordeling van de straf, maar de bijzondere voorwaarde blijft gehandhaafd. Dit arrest bevestigt de mogelijkheid om aan voorwaardelijke veroordelingen specifieke gedragsbeperkingen te verbinden die gericht zijn op het voorkomen van recidive in het kader van maatschappelijke betamelijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke veroordeling.