Conclusie
Nummer19/00523
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
verdachte:
[aangever 1]:
[aangever 1]:
[aangever 1]:
[aangever 2]:
verdachte:
[aangever 3]:
[aangever 4]:
(gelet op de bijlage en de datum van de brief begrijpt het hof: 2015)zou hebben betaald.
[aangever 5]:
[aangever 6]:
[aangever 7]:
87.040,11bijgeschreven door de 6 aangevers.’
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het eerste middel
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in het bijzonder voor zover inhoudend dat de verdachte ‘(telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’ zes personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen niet steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
Het tweede middel
tweedemiddel klaagt dat de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft het bewijs van de oplichtingsmiddelen en meer in het bijzonder wat betreft het oplichtingsmiddel ‘valse hoedanigheid’ niet steunt op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen en/of onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
alleaangevers bewezen is verklaard’ en dit ten aanzien van de (andere) aangevers ‘niet
zonder meeruit de bewijsvoering kan volgen’, kan ’s Hofs arrest volgens de steller van het middel niet in stand blijven.
NJ2017/160, m.nt. Keijzer (onder
NJ2017/162). In die zaak was bewezenverklaard dat de verdachte, die een bloemenwinkel dreef, twee personen had bewogen tot het verrichten van werkzaamheden door het aannemen van de valse hoedanigheid van bonafide werkgever, en dat hij twee bedrijven had bewogen tot de afgifte van bloemen en planten door het aannemen van de valse hoedanigheid van bonafide klant. Uw Raad overwoog:
Ontzetting van het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen
Staatsbladno. 51) en art. 1 der Pro wet van 19 Mei 1829 (
Staatsbladno. 35).’ [14] De wetgever omschrijft het begrip ‘beroep’ niet nader. Wel wordt bij art. 82 Sr Pro opgemerkt dat de ‘taak van eene huismoeder (..) van groot gewigt’ is maar dat zij ‘niet een ambt of beroep’ uitoefent. [15] Dat duidt erop dat bezoldiging als een wezenlijk element werd gezien.
NJ2019/123, m.nt. Vellinga. De verdachte was veroordeeld wegens het aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt (art. 308 Sr Pro). Zij had een baby met kracht heen en weer geschud. Het hof had (naast een taakstraf van 240 uren) een gevangenisstraf van 72 dagen opgelegd waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte ‘gedurende de proeftijd van drie jaren geen werkzaamheden als gastouder zal verrichten’. In cassatie werd geklaagd dat deze voorwaarde ontoelaatbaar was omdat (in de bewoordingen van A-G Aben) ‘niet over de band van een gedragsvoorwaarde de facto een straf mag worden opgelegd waarvoor art. 28 Sr Pro in dit geval geen ruimte biedt’. Dat oplegging van de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van gastouder niet mogelijk was, had het hof afgeleid uit ‘de aard van de bewezenverklaring en de kwalificatie’. A-G Aben meende dat de gedachtegang van het hof zich ‘niet dan wel moeizaam’ verdroeg met het legaliteitsbeginsel van art. 1, eerste lid, Sr. [25] Het zou niet aan de rechter maar aan de wetgever zijn ‘om te bepalen onder welke condities en in welke vorm een straf kan worden opgelegd’. Uw Raad oordeelde anders:
NJ2019/194 was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij het slachtoffer had opgelicht. Hij had zich ten opzichte van het slachtoffer voorgedaan als arts en terwijl hij daartoe niet bevoegd was bij het slachtoffer handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verricht. Daarbij had hij de diagnose borstkanker gesteld en het slachtoffer (kort gezegd) van het belang van een behandeling in China overtuigd, waardoor zij tot afgifte van € 60.000 was bewogen. Aan de verdachte was als bijzondere voorwaarde opgelegd dat hij ‘zich onthoudt van het verrichten of het doen van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’. Die voorwaarde impliceert dat de uitoefening van een groot scala aan beroepen op het terrein van de gezondheidszorg voor de verdachte gedurende de proeftijd onmogelijk wordt. Over de toelaatbaarheid van de bijzondere voorwaarde in het licht van de wettelijke regeling van de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep is in cassatie niet geklaagd.
NJ1999/482 aan het begrip ‘beroep’ is gegeven. In die zaak was de verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van masseur ontzet. En Fokkens neemt vervolgens het standpunt in dat men aan het begrip ‘de betekenis van kostwinning’ kan geven. Onbezoldigde betrekkingen vallen volgens hem buiten het begrip; zij worden zijns inziens nooit met de naam ‘beroep’ aangeduid. Fokkens voegt daaraan toe: ‘Overigens zal een bezigheid die praktisch altijd als beroep wordt verricht dat karakter niet verliezen, wanneer iemand haar gratis uitoefent maar overigens op geheel gelijke voet als gebruikelijk is’. Ik begrijp dat aldus dat een kapper die een klant gratis knipt een beroep uitoefent. Wie zijn of haar partner privé een (gratis) knipbeurt geeft, oefent geen beroep uit. De oriëntatie op het begrip kostwinning is in de toelichting losgelaten en verruild voor een benadering waarin de samenhang en duurzaamheid van verrichtingen de kern vormen.
CDAstelden een vraag over het gebruik van het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders. Zij vroegen of in dit verband niet beter van «functie» kan worden gesproken. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, wordt het begrip beroep in de rechtspraktijk ruim uitgelegd. Om een bepaalde activiteit als beroep aan te kunnen merken is het van belang dat de verrichtingen in het kader van die activiteit enige mate van samenhang vertonen en met een zekere bestendigheid plaatsvinden. Bovendien beperkt de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep zich niet tot het hoofdberoep, maar kan deze sanctie evenzeer betrekking hebben op de uitoefening van een nevenberoep. Ook het als nevenfunctie verrichten van werkzaamheden als bestuurder kan derhalve als een beroepsmatige activiteit worden aangemerkt. De begrippen beroep en functie zijn nauw aan elkaar verwant. Naar mijn mening is het begrip beroep evenwel ruimer dan het begrip functie. Het begrip functie wordt voornamelijk gehanteerd om de verschillende posities binnen het kader van een organisatie formeel te duiden. Het begrip beroep is meer verbonden aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Geenszins uitgesloten is dat wanneer iemand uit een bepaalde functie zou worden ontzet, deze persoon dezelfde werkzaamheden onder de noemer van een andere functie zou kunnen blijven verrichten. De ontzetting uit een «functie» heeft daarmee naar mijn mening een beperkter bereik, waardoor de sanctie aan effectiviteit inboet. Bij deze stand van zaken zie ik geen aanleiding om naast de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep te voorzien in de mogelijkheid tot ontzetting uit een «functie».
Berufsverbotgeregeld in par. 70 StGB, luidend:
Ausübung des Berufs’ maar ook die van ‘
Berufszweiges, Gewerbes oder Gewerbezweiges’ kan derhalve verboden worden. ‘
Das Urteil (…) muss den untersagten Beruf oder Berufszweig bzw. das Gewerbe oder den Gewerbezweig genau bezeichnen (…) Zulässig ist die Untersagung jedes (nicht nur eines bestimmten) Handelsgewerbes (…) aber nicht ‘jede selbständige Geschäftstätigkeit’ oder Gewerbetätigkeit’. [38] Een voorlopig beroepsverbod kan onder nadere voorwaarden worden opgelegd op grond van par. 132a StPO. Par. 70a en 70b StGB zien op de mogelijkheid van ‘
Aussetzung’ van het verbod.
Het derde middel
derdemiddel ziet als gezegd op de opgelegde bijkomende straf. De steller van het middel bestrijdt niet dat het hof de straf van ontzetting uit het recht tot de uitoefening van een beroep kon opleggen, op basis van art. 28, eerste lid, art. 235, eerste lid en art. 339, eerste lid, Sr. Het hof heeft deze artikelen niet vermeld bij de toepasselijke wettelijke voorschriften maar dat heeft, zo blijkt, niet tot onduidelijkheid geleid. De steller van het middel acht ook ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder mogelijk. Het middel klaagt evenwel dat de beslissing tot het ontzetten van de verdachte ‘van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder of feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon, dan wel een daarmee gelijkgestelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen voor de duur van twee jaren’ in strijd met de nationale wetgeving en het (internationale) verdragsrecht niet althans onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij wordt onder meer aangevoerd dat de verdachte ‘
de factovolledig de vrijheid (wordt) ontnomen om een bedrijf te runnen’. Aldus legt het middel naar het mij voorkomt de vraag op tafel of de wettelijke regeling de door het hof opgelegde bijkomende straf toelaat.
de factovolledig de vrijheid wordt ontnomen om een bedrijf te runnen, welke vrijheid eenieder in Nederland geniet’. Daarmee zou sprake zijn van ‘inmenging die het economisch recht ex art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM raakt, dan wel kan raken.’ Inmenging in dat recht zou slechts gerechtvaardigd zijn als tenminste sprake is van een op het individu toegesneden proportionaliteitstoets. In dat licht zou de rechter bij oplegging van deze bijkomende straf ‘gehouden (zijn) tot het geven van een motivering met een inhoudelijke (belangen)afweging’. Dat zou eens te meer gelden indien de ontzetting uit het beroep ‘gepaard gaat met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en het beroep dat van bestuurder betreft.’ Dat zou in de onderhavige zaak niet zijn gebeurd. In dat licht zou ’s hofs arrest niet in stand kunnen blijven. Ik bespreek ook deze klacht voor het geval Uw Raad – anders dan ik – van oordeel zou zijn dat de opgelegde straf een toereikende wettelijke grondslag heeft.