Conclusie
aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 dagen, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren geen werkzaamheden als gastouder zal verrichten. Tevens heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen tot een bedrag van € 123.123,72 in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, te vervangen door 365 dagen hechtenis, en de verdachte verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 4.973,90.
eerste middelbehelst twee klachten die betrekking hebben op de vaststelling van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het (zwaar lichamelijk) letsel bij het slachtoffer. De eerste klacht houdt in dat de vaststelling van dit het causaal verband onvoldoende steun vindt in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. De tweede klacht houdt in dat ‘s hofs oordeel over de causaliteit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
zij op 13 april 2012 in de gemeente Hardenberg aanmerkelijk onvoorzichtig [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2011, meermalen met kracht heen en weer heeft geschud, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, heeft bekomen.”
Het hof volgt de conclusies van Bilo, zoals neergelegd in zijn rapport van 10 juni 2014, het verslag van de later door hem beantwoorde vragen en zijn verklaring ter zitting van het hof. Die luiden samengevat als volgt:
Het hof stelt op basis van de verklaringen van de ouders van [benadeelde] vast dat [benadeelde] zonder de door Bilo genoemde ziekteverschijnselen, zoals ademhalingsproblemen en braken, in de ochtend van 13 april 2012 bij verdachte is gebracht. Het hof stelt daarnaast op basis van de hiervoor kort weergegeven bevindingen van met name Bilo vast dat op die ochtend een volledige omslag in de gezondheidstoestand van [benadeelde] in de woning van verdachte heeft plaatsgevonden, terwijl er zich in die woning geen andere personen bevonden.
het zwaar lichamelijk letsel wel een gevolg is van het handelen of nalaten van de verdachte” zich onderscheidt van en voorafgaat aan de vraag of “
het gevolg redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend”. De klacht gaat niet op.
een andere (eerdere) heftige impact”. De aanwijzing voor het bestaan van zo een andere, eerdere heftige impact zou blijken uit de “
verontrustende toestand” waarin de verdachte het slachtoffer in de box had aangetroffen. Als mogelijke oorzaken voor de verontrustende toestand is ter terechtzitting van het hof gewezen op (1) een eerder plaatsgevonden zogenoemd “
verslikincident”, waarbij het slachtoffer zich in een koekje zou hebben verslikt en op zijn rug zou zijn geklopt, [2] alsmede (2) reeds bij het slachtoffer bestaand hoofdletsel dat in de pleitnotitie is aangeduid als “
reeds toegebracht AHT” (abusive head trauma). [3]
In haar nadere, op 12 juni 2014 aan de raadsheer-commissaris toegezonden rapport gaat De Vries aan de hand van de vraagstelling in op het aspect van de aanwezigheid van ‘oud letsel’.
de MRI-scans zou het gaan om een aantal weken. Verder geven zij aan dat er soms sprake kan zijn van een lucide interval van enkele minuten tot enkele uren maar dat gezien de door haar geconstateerde ouderdom van het letsel van een lucide interval hier geen sprake kan zijn.
een reële mogelijkheid[is]
blijven bestaan dat de ernstige hersenschade veroorzaakt is door een andere (eerdere) heftige impact”. Dit onderdeel van het middel faalt.
ook het hof er vanuit is gegaan dat[de verdachte]
het kind in een verontrustende toestand in de box heeft aangetroffen.”
tot uitgangspunt”. Niets meer en niets minder. Op basis daarvan acht het hof “
aannemelijk dat verdachte [benadeelde] heeft aangetroffen in een toestand die haar kennelijk zodanig heeft verontrust dat ze in paniek is geraakt.” In het licht van deze overwegingen acht ik ‘s hofs oordeel over de oorzaak van het bij [benadeelde] aangetroffen hersenletsel niet onbegrijpelijk. Het hof heeft daarmee immers nog niets overwogen over de feiten en omstandigheden die tot die “
verontrustende toestand” hebben geleid, noch over de aard van die toestand zelf, doch alleen over hoe de verdachte die toestand naar eigen zeggen heeft ervaren.
tweede middelklaagt over de bijzondere voorwaarde die het hof heeft verbonden aan de voorwaardelijke veroordeling, te weten het zich onthouden van werkzaamheden als gastouder. Die voorwaarde is ontoelaatbaar op de grond dat niet over de band van een gedragsvoorwaarde de facto een straf mag worden opgelegd waarvoor art. 28 Sr Pro in dit geval geen ruimte biedt, aldus de steller van het middel.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het onvoorwaardelijk deel daarvan is gelijk aan de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De hoogte van de gevangenisstraf benadrukt met name de ernst van het bewezenverklaarde, waarbij het voorwaardelijke deel dient om verdachte ervan te weerhouden om gedurende de proeftijd van drie jaren opnieuw strafbare feiten van welke aard dan ook te begaan.
De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
Indien de in deze titel omschreven misdrijven[artt. 307 en 308 Sr, D.A.]
worden gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.”
nietwordt geklaagd over de (onjuiste) toepassing van andere maatstaven waarlangs de bijzondere voorwaarde kan worden gelegd, zoals (1) of de bijzondere voorwaarde ‘het gedrag van de veroordeelde betreffende’ strekt “
ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde” dan wel een gedraging betreft “
waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht”, [7] (2) of de bijzondere voorwaarde naar zijn aard niet te ingrijpend is en met het stellen ervan een zodanige inbreuk wordt gemaakt op de grondrechten van de veroordeelde dat art. 14c, tweede lid, aanhef en onder 14°, Sr daarvoor geen toereikende grondslag biedt, [8] en in verband daarmee ook (3) of de bijzondere voorwaarde voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en kenbaarheid, en daarom met voldoende precisie (en dus niet te vaag) is geformuleerd.
Door toepassing van gedragsvoorwaarden mag de oplegging van elders wettelijk geregelde en met waarborgen omklede sancties niet worden omzeild. Indien bepaalde sancties een zelfstandige plaats in ons strafrechtelijk sanctiestelsel hebben verkregen, moet op grond van het legaliteitsbeginsel worden aangenomen dat geen ruimte meer bestaat voor toepassing van die sancties als gedragsvoorwaarden. Dat is anders in geval de uit de sanctie voortvloeiende verplichting reeds uit anderen hoofde bestaat. (…). Maar afgezien van deze bijzondere situatie, is het ontoelaatbaar dat de wettelijke regeling van een sanctie zou kunnen worden doorkruist door toepassing van een inhoudelijk corresponderende bijzondere voorwaarde. Anders zou bij bijzondere voorwaarde materieel gezien de sanctie kunnen worden toegepast in gevallen waarin de wet de sanctie niet toelaat.” [10]
NJ1980/107, waarin een partiële rijontzegging (nl. behoudens woon-werkverkeer) was opgelegd en de Hoge Raad deze modaliteit onder specifieke omstandigheden toelaatbaar achtte. De Hoge Raad had namelijk overwogen:
Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat een bijzondere voorwaarde waarvan de naleving het effect heeft van een door de wetgever als straf bestempeld ingrijpen – ook al betreft die bijzondere voorwaarde het gedrag van de veroordeelde – niet toelaatbaar is indien de naleving van zodanige voorwaarde neerkomt op het ondergaan van een in de wet niet voorziene variant op die straf. Die opvatting kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Zij is met name niet juist als zich een situatie voor doet waarin a. het gaat om een vorm van ontzegging van de rijbevoegdheid, b. die vorm voor de veroordeelde een mildere variant is van de bij de wet voorziene ontzegging en c. niet blijkt dat de wetgever van die variant niet heeft willen weten.”
Sanctierecht(2016) van Bleichrodt & Vegter maak ik op dat de eerste auteur in de twintig tussenliggende jaren niet op zijn schreden is teruggekeerd. [12] De auteurs betogen:
Uit een oogpunt van legaliteit is de ruime omschrijving van de gedragsvoorwaarde te bekritiseren. Dat geldt temeer omdat bijzondere voorwaarden inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers. Aan een inbreuk op de uitoefening van een verdragsrechtelijk beschermd recht dient een wettelijke regeling ten grondslag te liggen die voldoet aan de eisen van voorzienbaarheid en kenbaarheid.”
Dat daarover in het licht van het legaliteitsbeginsel anders kan worden gedacht zodra de taakstraf als zelfstandige straf in de wet is opgenomen kan, zoals Bleichrodt ook gedaan heeft, goed worden verdedigd. Als dan de mogelijkheid blijft bestaan een taakstraf ook in de vorm van een bijzondere voorwaarde te blijven opleggen zouden immers strafmaxima en samenloopbepalingen omzeild kunnen worden. Maar ook dan blijft het mogelijk dat een variant van een zelfstandige sanctie als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, mits die variant het gedrag van de veroordeelde betreft én de wetgever er geen blijk van heeft gegeven niet van die variant te willen weten. Bleichrodt noemt de partiële rijontzegging als voorbeeld.” [13]
derde middelklaagt over de verwijzing van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot aan de datum van de uitspraak. Deze verwijzing in de kosten zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk zijn omdat de advocaat van de benadeelde partij optrad op basis van een (voorlopige) toevoeging.
Voor wat betreft het onderdeel dat de door het hof te bepalen proceskosten hoger moeten worden bepaald dan de toepasselijke tarieven, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die kosten in dit geval zo uitzonderlijk zijn dat het hof moet afwijken van de door de civiele rechter gebruikelijk gehanteerde tarieven. Bij de liquidatietarieven wordt immers al rekening gehouden met de hoogte van het gevorderde bedrag.
Op vragen van de voorzitter antwoordt mr. Mouris, zakelijk weergegeven:
1. Aan personen die zich krachtens het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering door een raadsman kunnen doen bijstaan, kan het bestuur een advocaat toevoegen.
Namens cliënten bericht ik u dat in deze zaak cliënten de vordering betreffende de kosten van rechtsbijstand laten vallen. Met andere woorden, in deze zaak zal de proceskostenveroordeling die is uitgesproken niet worden geïnd. Als gevolg daarvan heeft de verdachte geen belang (meer) bij het derde cassatiemiddel. Het voorgaande laat onverlet dat cliënten zich niet kunnen vinden in het middel en van oordeel zijn dat geen sprake is van schending van het recht en/of verzuim van vormen.”
de proceskostenveroordeling die is uitgesproken” niet zal worden “
geïnd” nu het hof de verdachte in de proceskosten heeft verwezen. In de tweede plaats acht ik een beslissing van de Hoge Raad op het middel aangewezen in het belang van de rechtsontwikkeling. Het middel stelt namelijk de rechtsvraag aan de orde of de benadeelde partij in het strafproces gebruik mag maken van een voorwaardelijke toevoeging. Aan het beantwoorden van deze rechtsvraag kom ik toe nadat ik eerst heb uiteengezet dat en waarom het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd.
1. Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien:
Onderdeel a van artikel 34g, eerste lid, stemt overeen met een deel van het huidige artikel 31.
huidige artikel 31”.
1. Het bureau geeft een voorwaardelijke toevoeging af, indien het verzoek om rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang of aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde.
rechtszoekende die gebruik maakt van zijn toevoeging geen kosten voor het gebruik maken van een raadsman mag vorderen, aangezien hij deze kosten niet heeft gemaakt” en om het onmogelijk te maken dat hij het einde van de zaak afwacht alvorens aan te geven of op basis van toevoeging rechtsbijstand is verleend. [22] Sindsdien volgt uit artikel 591a, tweede lid, Sv dat aan de gewezen verdachte geen vergoeding van de kosten van een raadsman kan worden toegekend indien artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, dus de raadsman aan de verdachte was toegevoegd.
maatstaf” voor het wetsvoorstel en het aangevulde artikel 591a, tweede lid, Sv heeft gediend, sluit het er wel bij aan. Van regeringswege is opgemerkt dat de voorbereiding van het wetsvoorstel in een vergevorderd stadium was op het moment dat het arrest bekend werd en dat het niet heeft geleid tot aanpassingen aan het ontwerp voor het wetsvoorstel. [23] Hoewel de wet is toegespitst op de raadsman die aan de verdachte is toegevoegd, en niet op de aan de benadeelde partij toegevoegde advocaat, berust de wet op het uitgangspunt dat “
de rechtszoekende” niet op basis van de uitkomst van de zaak mag beslissen of hij al of niet gebruik maakt van toegevoegde rechtsbijstand. De rechtszoekende moet zijn keuze maken voordat daadwerkelijk rechtsbijstand is verleend. [24]
in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 4.973,90”, tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij tot verwijzing van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand in de strafprocedure, en tot verwerping van het beroep voor het overige.