Conclusie
1.Inleiding
principaal cassatieberoep in zoverre gegrond is.
incidentele cassatieberoepbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof over het eerste geschilpunt; de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De middelen in het incidenteel cassatieberoep lijken erop gericht de Hoge Raad te verleiden zijn eigen oordeel over de feitelijke vraag of de vennootschap aan de arbeid-plus en rendement-plus toets voldoet in de plaats te stellen van het oordeel van het Hof. Dat is echter niet de taak van de cassatierechter. Daar komt bij dat de middelen ten dele niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Er worden beweringen gedaan over de feiten en over hetgeen in het geding bij de Rechtbank of het Hof zou zijn gesteld of betwist, zonder dat duidelijk wordt wat de bron voor die beweringen is. De belastingkamer is in zoverre mild ten opzichte van de indieners van cassatieberoepen, dat zij die indiener zelden of nooit verwijt dat hij een klacht of middel onvoldoende duidelijk heeft geformuleerd. Die welwillendheid kan echter niet verder gaan dan de beginselen van hoor en wederhoor en de eisen van de goede procesorde toelaten. Als die grenzen worden overschreden volgt – ook in belastingzaken – onverbiddelijk een afdoening met toepassing van – in dit geval –
art. 81 Wet Pro RO. Ter volledigheid beoordeel ik in deze conclusie wel kort de middelen afzonderlijk.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
nietheeft geoordeeld dat de activiteiten met betrekking tot onroerende zaken die de vennootschap tezamen met [A] bezit, uitgaan boven normaal vermogensbeheer, nu de vennootschap met betrekking tot deze objecten beheeractiviteiten met winstopslag verricht ten behoeve van [A] (overweging 5.4.8).
4.Vooraf: rechtsstrijd in cassatie
5.Waardering (certificaten van) aandelen in vastgoedvennootschap
estate taxesgebeurt), maar belast is de waarde van hetgeen een individuele begiftigde of erfgenaam verkrijgt [7] (zoals bij
inheritance taxeshet geval is). [8] Het zijn dus de verkrijgingen, bezien vanuit de specifieke context van wat wordt verkregen en door wie, die moeten worden gewaardeerd.
in concretoamper in. Behalve dat de liquidatiewaarde als ondergrens geldt – het antwoord van de wetgever op het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1975 [13] , waarin de Hoge Raad oordeelde dat de waardedrukkende invloed van onderrentabiliteit tot een waarde beneden liquidatiewaarde kan leiden – zegt het dertiende lid in feite weinig meer over de waardering dan volgt uit de hoofdregel van het eerste lid van art. 21 SW Pro. Hoewel bij de behandeling van het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van de BOR in 2009 is benoemd dat het dertiende lid om deze reden eigenlijk kon komen te vervallen, is omwille van de duidelijkheid toch ervoor gekozen deze bepaling te handhaven. [14]
dwingendewaarderingsvoorschrift van art. 21(5) SW in deze zaak tot gevolg had dat de legataris – overigens: net als de ‘gewone’ erfgenamen – erfbelasting moest betalen over een – fictief – aanzienlijk hogere verkrijging dan hij daadwerkelijk ontving.
BNB1996/70c* en het is betreurenswaardig dat hij in onderhavig geval niet van zijn keuze is teruggekomen. De Successiewet 1956 is een verkrijgersbelasting. De verkrijging door de erfgenaam of legataris is het uitgangspunt van heffing. De vraag is dan waarom waarderingsvoorschriften die gelden voor bepaalde vermogensbestanddelen ook moeten doorwerken naar de vorderingen (en schulden) die op deze vermogensbestanddelen betrekking hebben. De beslissing van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat in de gevallen die voorlagen alle erfgenamen/ legatarissen) gelijkelijk delen in begunstigende (zoals het toenmalige art. 21 lid 4 Successiewet Pro 1956) en verzwarende effecten van de waarderingsvoorschriften (zoals het huidige art. 21 lid 5 Successiewet Pro 1956). Maar de keuze van de Hoge Raad kan ook anders uitpakken. Dit blijkt uit het volgende voorbeeld: Stel dat een nalatenschap enkel bestaat uit een pand met een werkelijke waarde van € 280.000 en een WOZ-waarde van € 300.000. Het pand is gelegateerd aan de langstlevende echtgenoot tegen inbreng van de waarde. In de opvatting van de Hoge Raad vindt in dit geval geen heffing plaats bij de langstlevende echtgenoot, omdat de inbrengverplichting eveneens op € 300.000 wordt gesteld. Bij de erfgenaam vindt heffing plaats over een verkrijging van € 300.000. Door het waarderingsvoorschrift van art. 21 lid 5 Successiewet Pro 1956 wordt hij dus voor € 20.000 meer in de heffing van erfbelasting betrokken, terwijl hij geen pand verkrijgt maar een vordering. Passen we de waarderingsregel enkel toe op de verkrijger van het desbetreffende vermogensbestanddeel dan leidt dat tot de volgende uitkomst: de langstlevende krijgt een pand met een waarde van € 300.000 en brengt de inbrengverplichting ad € 280.000 in. Bij de langstlevende vindt heffing over € 20.000 plaats. De erfgenaam wordt in de heffing betrokken voor de waarde van het ingebrachte bedrag ad € 280.000. Het nadeel van het waarderingsvoorschrift van art. 21 lid 5 Successiewet Pro 1956 wordt in dat geval geheel gedragen door de langstlevende in plaats van de erfgenaam. Het draait bij de bepaling van de reikwijdte van de waarderingsvoorschriften dan om de vraag wie de last van een dergelijk waarderingsvoorschrift moet dragen. In de leer van de Hoge Raad is dat in dit voorbeeld de erfgenaam, terwijl het karakter van een verkrijgersbelasting naar mijn mening meebrengt dat die last bij de verkrijger van het goed moet liggen.”
Bundesverfassungsgerichten het Oostenrijkse
Verfassungsgerichtshofde successiewetgeving onconstitutioneel hebben verklaard juist vanwege het gegeven dat verschillende waarderingsmethodes werden gehanteerd die er toe kunnen leiden dat er grote verschillen ontstaan tussen de gehanteerde, forfaitair vastgestelde waarde en de
fair market value. Beide hoven kwamen daarom tot de conclusie dat de successiewetgeving op dit punt ongrondwettig was. [42]
6.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
middelvan het principaal cassatieberoep betoogt dat het Hof art. 21(1), (5) en (8) SW 1956 heeft geschonden door voor de waardering van de geschonken certificaten gebruik te maken van de waarderingsregels voor verhuurde woningen, terwijl er geen woningen zijn geschonken, maar certificaten (3.2). Het middel keert zich kennelijk tegen het in overweging 5.4.20 van de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat het waarderingsvoorschrift van art. 21(5) SW ook moet worden toegepast bij de waardebepaling van certificaten van aandelen in een vennootschap die woningen bezit.
dwingendevoorschrift niet geschreven zou zijn voor de waardebepaling van onroerende zaken die behoren tot het vermogen van een besloten vennootschap, en – ik parafraseer – dat bij die waardebepaling het wettelijk systeem moet worden gevolgd (dus WOZ-jaar 2015 en toepassing leegwaarderatio). Dit lijkt in de richting te wijzen van een dwingende, rechtstreekse toepassing van art. 21(5) en 21(8) SW. Anderzijds oordeelt het Hof dat belanghebbende,
medegegeven art. 21(5) SW,
mocht uitgaanvan de WOZ-waarden 2015. De invoeging van ‘mede’ en de wat facultatieve omschrijving ‘mocht uitgaan’ wekken de indruk dat het Hof misschien art. 21(5) en 21(8) SW toch niet rechtstreeks en dwingend van toepassing acht. Ook gaat het Hof in op de stelling van de Inspecteur dat de BAR-methode moet worden gebruikt in plaats van de leegwaarderatio. Maar vervolgens overweegt het Hof weer dat, nu de WOZ-waarde geen rekening houdt met waardedruk door verhuur, de leegwaarderatio
dientte worden toegepast. Dat duidt dan weer meer op een oordeel gericht op een bindende werking van de waarderingsvoorschriften.
7.Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
art. 81 Wet Pro RO. Ter volledigheid beoordeel ik hierna kort de middelen afzonderlijk.
eerste middelbetoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur de vele stellingen en standpunten van belanghebbende heeft weersproken en betwist (overweging 5.4.2 van de Hofuitspraak).
zevende, achtste en negendemiddel betogen elk in de kern dat de omstandigheid dat in hoger beroep nieuwe bewijsmiddelen zijn aangedragen die volgens belanghebbende niet door de Inspecteur zijn weersproken, maakt dat ‘dit’ vaststaat in de procedure voor het Hof (overweging 5.4.9 van de Hofuitspraak).
dertiende middelstelt dat het Hof ten onrechte in overweging 5.4.16 zich enkel zou hebben gebaseerd op hetgeen door belanghebbende in het hogerberoepschrift naar voren is gebracht, terwijl in een tiendagenstuk op dit punt door belanghebbende verdere feitelijke onderbouwing zou zijn ingebracht.
tweedeen
tiendemiddel zien beiden op het oordeel van het Hof in overweging 5.4.12 (onder kopje ‘arbeid-plus’). Naar mijn mening falen deze middelen
,en wel hierom:
tweede middelbetoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de door belanghebbende opgesomde werkzaamheden in lijn liggen met werkzaamheden die behoren bij kamerverhuur of verhuur van zelfstandige woonruimten. Het middel beroept zich in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 1994 [49] .
tiende middelstelt dat het Hof bij zijn afweging of sprake is van arbeid-plus en rendement-plus gewicht heeft toegekend aan het gegeven dat de activiteiten worden ontplooid middels een besloten vennootschap en betoogt dat dit ten onrechte is.
elfde middelborduurt op haar beurt voort op het oordeel dat door het tweede middel wordt bestreden. Het elfde middel betoogt dat het Hof ten onrechte in overweging 5.4.14 heeft overwogen dat belanghebbende kostenbesparingen in verband met in eigen beheer verrichte werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit terwijl uit de vaststelling in overweging 5.4.12 voortvloeit dat de werkzaamheden behoren bij kamerverhuur en volgens belanghebbende aangetoond is dat de gemaakte arbeidskosten lager zijn dan de kosten die een externe beheerder zou hebben gerekend.
derde middelstelt dat het Hof ten onrechte
nietheeft geoordeeld dat de activiteiten met betrekking tot onroerende zaken die de vennootschap tezamen met [A] bezit, uitgaan boven normaal vermogensbeheer, nu de vennootschap met betrekking tot deze objecten beheeractiviteiten met winstopslag verricht ten behoeve van [A] (overweging 5.4.8).
vierdeen
zesde middelbetogen dat het Hof in de laatste zin van overwegingen 5.4.10 en in 5.4.13 van een verkeerde vergelijking is uitgegaan. Het Hof gaat ten onrechte uit van een vergelijking tussen de vennootschap en instellingen die het beheer van vastgoed voor derden verrichten – zogenoemde propertybeheerders – terwijl de vennootschap zou moeten worden vergeleken met een belegger in vastgoed, zo meent belanghebbende.
vijfde middelstelt dat het Hof in overweging 5.4.13 (onder kopje ‘rendement-plus’) ten onrechte van belanghebbende verlangt nader aannemelijk te maken dat belastingplichtigen met verhuurde onroerende zaken in box 3 geen werkzaamheden verrichten. Het middel stelt in feite dat belanghebbende wel aannemelijk zou hebben gemaakt dat box 3-verhuurders geen arbeid verrichten en het beheer uitbesteden en heeft daartoe integraal de daarop betrekking hebbende motivering van het hoger beroepschrift herhaald. Het middel kan niet slagen, reeds omdat het een feitelijk oordeel van het Hof bestrijdt en hiertoe niet in cassatie toelicht waarom dit oordeel onvoldoende gemotiveerd zou zijn (het verwijst slechts naar hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht). Daarbij komt dat ik in de bestreden rechtsoverweging niet zie staan dat het Hof van belanghebbende heeft verlangd aannemelijk te maken dat belastingplichtigen met verhuurde onroerende zaken in box 3 geen werkzaamheden verrichten. Het Hof overweegt alleen dat belanghebbende dit heeft gesteld, en dat het Hof die stelling niet aannemelijk acht, ‘nog daargelaten of een particuliere belegger in box 3 in dit verband wel een goede vergelijkingsmaatstaf zou zijn’. Ik meen dat het gedrag van een bepaalde groep beleggers inderdaad niet maatgevend is; zie mijn beschouwing in 6.12 van deze conclusie over de eenzame ‘doe-het-zelf-belegger’.
twaalfde middelstelt dat het Hof ten onrechte zou hebben geoordeeld in overweging 5.4.15 dat niet is voldaan aan de rendement-plus-eis, doordat sprake is van ‘door-verhuur’ van objecten en niet van ‘door-verkoop’ na herontwikkeling.
reeds uit de herontwikkelingswerkzaamhedenkan worden afgeleid dat er sprake was van streven naar rendement dat uitstijgt boven normaal beleggingsrendement. Het Hof overweegt dus
nietdat niet aan de rendement-plus-eis
kanzijn voldaan bij door-verhuur. [52] Over de vraag of in dit geval is voldaan aan die eis oordeelt het Hof in de rest van overweging 5.4.15: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vennootschap voldoet aan de rendement-plus-eis. Dat oordeel is feitelijk en voldoende gemotiveerd, zodat het middel tevergeefs wordt voorgesteld.