Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk openbaar maken van staatsgeheime informatie en het schenden van geheimhoudingsplicht, met een gevangenisstraf van zestien maanden. De zaak betrof een onderzoek naar een lek bij de AIVD, waarbij telefoongesprekken van journalisten werden afgeluisterd. De verdediging voerde onder meer schending van het recht op een eerlijk proces en schending van het recht op privacy en bronbescherming aan.
De Hoge Raad bevestigde dat het onderzoek door de AIVD buiten het voorbereidend strafonderzoek valt en dat de toetsing van de rechtmatigheid van het inlichtingenonderzoek aan de CTIVD is toebedeeld. Desondanks moet de strafrechter toetsen of het gebruik van door de AIVD verkregen bewijs voldoet aan de eisen van een eerlijk proces. Het hof oordeelde dat geen sprake was van schending van fundamentele rechten die een fair trial in de weg staan.
De Hoge Raad verwierp de klachten over het gebruik van afgeluisterde gesprekken van journalisten als bewijs en over de beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting van de verdachte. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf tot vijftien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf van zestien maanden wordt verminderd tot vijftien maanden, overige verweren worden verworpen.